Straat en kanaal

Door Wiel Kusters

De sluis

De stilte en koelte waren weergekeerd,
Het nachtlijk feest lag als een glas versmeten.
– Ik heb dit late donker nooit vergeten,
Want deze dingen blijven ongedeerd.

Een ongeweten, innerlijk geweld
Had naar een zwart kanaal mij heengedreven.
– Het was het uur, dat de wiekslag van ’t leven
Weer trilt in die de slaap heeft neergeveld.

Daar hoorde ik het vervoerende geruis:
– Wateren, die van vóór de tijden bronden,
Bezweringen van lang-gestorven monden –
Het zachte stroomen door de nauwe sluis.

Ik stond, alleen gebleven, ongekend,
In doodlijke verrukking opgetogen,
Naar onweerstaanbre diepten neergezogen,
Gebannen in het ademloos moment.

– Toen werden ’t water grijzer en de straat,
En ging hun nachtelijk geheim verloren,
En boven donkre huizen werd geboren
Een kille en groezelige dageraad.

Weerdsluis (Wikipedia)

Nóg een gedicht van J.C. Bloem, nu uit de bundel Media vita (1931) – de dichter was vierenveertig. De sluis waarnaar het gedicht verwijst, is de Weerdsluis in Utrecht, tussen de Stadsbuitengracht en de Vecht, waarop ook het veel latere gedicht ‘Utrecht: Bemuurde Weerd’ (in de bundel Afscheid, 1957) betrekking heeft.

Voor ik inga op de inhoud van het gedicht, eerst even iets over de grote klankdichtheid ervan. Die is, naast de inzet van omarmend eindrijm, het resultaat van een met een hoge frequentie terugkerende ee- en (korte) e-klanken en oo- en (korte) o-klanken – assonanties die aansluiten bij de eindrijmen.

Als je goed kijkt (of luistert natuurlijk) zie je dat de enige niet aan eindrijmparen gelieerde klanken te vinden zijn in de derde en vijfde strofe. ‘Geruis’ en ‘sluis’ enerzijds, ‘straat’ en ‘dageraad’ anderzijds zijn klankmatig alleen op elkáár betrokken. Voor mij als gedichtenlezer leidt dat ertoe, dat de nauwe betekenisrelatie die er bestaat tussen ‘geruis’ en ‘sluis’ een soortgelijk verband tot stand brengt tussen ‘straat’ en ‘dageraad’. Zoals het geruis door de sluis, wordt de dageraad ‘boven donkre huizen’ als het ware voortgebracht door de straat. Met de dageraad ontstaat er leven en beweging, ‘geruis’ in de straat, alsof er ‘wateren’ beginnen te stromen.

Wat gebeurt er in de wereld van dit gedicht?

Van de verhitte en luidruchtige atmosfeer van een ten einde gelopen feest is de ‘ik’ naar een zwart kanaal gelopen, daartoe gedreven door een innerlijke kracht die hij niet kent of begrijpt. Het is nanacht, het tijdstip waarop degenen die de nacht slapend hebben doorgebracht bijna gaan ontwaken: ‘de wiekslag van ’t leven’ beweegt alweer in hen.

Met de ‘ik’ is het anders gesteld. Voor hem zou nu het uur van de slaap moeten aanbreken, een – pathetisch gezegd – onderdompeling in vergetelheid. Het is in dichterlijke zin niet zo vreemd, bij wie van de nieuwe dag misschien een nacht gaat maken gedachten aan de dood opkomen.

Staande aan het water van een zwart kanaal beleeft de ‘ik’ een soort epifanie van de dood. In het zachte stromen van water hoort hij bezweringen van al lang gestroven monden: schimmen uit de Hades lijken het wel. Het is een zeer eenzaam moment van ‘doodlijke verrukking’, een moment van fascinatie, waarin op de dood vooruitgelopen wordt (‘ademloos’, staat er letterlijk) en waarin een zuigend doodsverlangen wordt ervaren. Een irrationeel en paradoxaal verlangen dat met verrukking (‘opgetogen’) en machteloosheid (‘neergezogen’) samenhangt. (Waarbij dat woord ‘opgetogen’ op enigszins lugubere wijzen ook even aan zijn letterlijke betekenis herinnert: omhooggetrokken, als bij dreggen.)

Dan is plotseling de begoocheling ten einde. Het wordt licht, het water dat zwart was, wordt grijzer en iets dergelijks geldt ook voor de straat: hun nachtelijk geheim, staat er, is nu verloren gegaan. Hún geheim? Er is toch geen sprake geweest van een geheim dat door de passanten werd ervaren? Nee, maar het was in de voorafgaande regels wel geïmpliceerd. ‘Straat’ en ‘kanaal’ assoneren niet alleen met elkaar, de straat en kanaal hebben veel méér met elkaar te maken.

Zoals de doden met hun ‘lang-gestorven monden’ zachtjes ruisend het dode kanaal binnenstroomden, zo komen de uit hun schijndood, de slaap, wakker geworden stadsbewoners hun huizen uit. (Weer die ui-klank, als in ‘sluis’ en ‘geruis’.) In de dageraad brengen zij de dode straat opnieuw tot leven. Maar daar is voor de ‘ik’, laten we nu toch maar zeggen ‘de dichter’, weinig vervoerends, verrukkelijks of onweerstaanbaars aan, om het met aan de derde strofe ontleende adjectieven te zeggen. Integendeel: er is voor hem sprake van een ‘kille en groezelige’ dageraad.

De levenden worden de straten ingesluisd als doden, als reeds lang gestorvenen. Ze worden in het gedicht niet eens expliciet genoemd, die levenden. Er is alleen maar het bezittelijk voornaamwoord ‘hun’ dat naar hen verwijst waar het, in de derde regel van onder, gaat over ‘hun’ nachtelijk geheim. Zo weinig verschillen zij van de werkelijke doden, de schimmen. Hun aanwezigheid in het gedicht berust op dichterlijke suggestie: de parallellie, klankmatig en qua betekenis, tussen kanaal en straat.

Dit is bij Bloem het ontwaken van de stad: de doden van nu en altijd herwinnen een schijn van leven vóór zij door de sluis verdwijnen.

J.C. Bloem: Verzamelde gedichten. Zesde, geheel herziene druk. [Ed. A.L. Sötemann en H.T.M. van Vliet]. Amsterdam, Athenaeum – Polal & Van Gennep, 1979.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.