Is de verengelsing van de Amsterdamse winkels een gevaar voor het Nederlands?

Door Marten van der Meulen

Al langere tijd rommelt het in de Amsterdamse binnenstad. Of moet ik zeggen dat het is rumbling. Er wordt in de hoofdstedelijke winkels namelijk (te) veel Engels gebruikt. Metro en de Telegraaf schreven er in november 2017 bijvoorbeeld over. Vorige week besteedde AT5 er ook aandacht aan. Wat blijkt: er zijn best wat winkels waar je geen Nederlands kunt spreken. Nu denk ik dat er best wat mensen zullen denken: ‘zie je wel, het Nederlands verdwijnt’. Wees gerust: dat is nog maar de vraag. Laten we vooral proberen te begrijpen waarom dit gebeurt.

Tellen

Eerst even over het artikel in AT5. Het mag gezegd: de journalisten van AT5 hebben hun huiswerk gedaan. Men “heeft in ieder stadsdeel de grootste winkelstraten bezocht>”, wat neerkwam op 1462 winkels in 14 straten. Omdat Amsterdam zeven stadsdelen heeft ga ik uit van twee winkelstraten per stadsdeel. Daar hoef je niet lullig over te doen: dat is gewoon een mooie steekproef. Uit dit onderzoek blijkt dat vooral in de Kalverstraat en Kinkerstraat in veel winkels Engels werd gesproken. Daarbuiten was Engels in veel stadsdelen grotendeels of volledig afwezig.

Normaliter moet je vergelijkend onderzoek doen om te kunnen zeggen of er sprake is van een toename. Hoe was het vroeger, hoe is het nu? Ik vraag me af of dat nu nodig is: het is natuurlijk zeer waarschijnlijk dat er inderdaad nu meer Engels wordt gebruikt dan bijvoorbeeld 10 jaar geleden, laat staan dan 50 jaar geleden. Helemaal zeker weet je het nooit, maar het is in ieder geval aannemelijk. De eerste vraag is natuurlijk: hoe komt dat?

Waarom

In het uitstekende artikel van AT5 worden al direct de twee belangrijkste oorzaken genoemd. De eerste heeft te maken met bezoekers. Zeker in de binnenstad zal een groot deel van de klanten van de Engelstalige winkels geen Nederlands spreken. Daar kun je op verschillende punten al iets van vinden: ten eerste is de vraag om hoeveel procent van de klanten het nou precies gaat. Maakt men niet te snel de knieval voor een relatief klein percentage bezoekers? Dat is een interessante vervolgvraag. Ten tweede kun je vinden dat toeristen maar Nederlands moeten leren. Ik vraag me af hoe realistisch dat is, en in hoeverre wij dat zelf doen in andere landen. Ik ben in het buitenland vaak juist blij dat ik geen Servo-Kroatisch of Hongaars hoef te leren. Een paar woordjes in zo’n taal vind ik leuk om te leren, maar niet iedere toerist is natuurlijk een taalkundige.

De andere belangrijke oorzaak voor de toename >van Engelssprekend winkelpersoneel> is het aanbod van werknemers. Er lijken gewoon te weinig sprekers van het Nederlands te zijn die in de Amsterdamse horeca willen werken. Deze conclusie trok de FNV ook al in april van vorig jaar. Ook hier kun je iets van vinden: waarom leren die medewerkers niet gewoon Nederlands? Deels een terecht punt, vind ik, maar als je het combineert met het bovenstaande punt (Engelstalige klanten) begrijp je wel waarom het niet gebeurt. Toch vond ik het als moedertaalspreker vreemd dat ik in mijn lokale koffiezaak in de Baarsjes uitsluitend in het Engels te woord werd gestaan. Dat je geen twintig talen spreekt, à la, maar enige beheersing van de taal van het land waar je werkt zou toch mogen worden verwacht. Toch wordt hier wel met twee maten gemeten: hoe zit het bijvoorbeeld met alle hoogopgeleide expats? Mag je van hen ook Nederlands verwachten? (Ik vind eigenlijk van wel).

Deze twee punten lijken me behoorlijk belangrijk. Misschien nog wel belangrijker is het feit dat er géén sprake is van toename van het gebruik van Engels door een vermeende algemene fetisj voor Engels. Daar wordt vaak naar gewezen wanneer er sprake is van verengelsing, maar volgens mij speelt dat alleen in sommige gevallen een rol. In het hoger onderwijs is bijvoorbeeld de bekostiging een argument. Meer studenten = meer geld, de buitenlandse markt is eindeloos, hoppa Engels. In de wetenschap is het een gevolg van het prestige van het Engels ten opzichte van het Nederlands. In het bedrijfsleven is het de (vermeende) relatie tussen Engels en innovatie: Engels is nieuw is beter.

Bedreiging voor het Nederlands?

Nu is natuurlijk de vraag: is het slecht voor het Nederlands, de verengelsing van de Amsterdamse winkelarij? Op basis van wat we tot nu toe weten over taal zou ik zeggen van niet (zoals we hier al wel eerder schreven). Er is namelijk geen reden om aan te nemen dat buiten Amsterdam Engels dezelfde positie inneemt als gebruikstaal. De aanwezigheid van toeristen in Amsterdam is totaal buiten proportie ten opzichte van de rest van Nederland. Omdat juist dat als oorzaak wordt gegeven van de verengelsing mag je aannemen (zeker weten doe je het niet) dat de verengelsing ook buitenproportioneel is. >Ja, woorden als sale >worden in sommige steden> veel gebruikt. Maar dat is oppervlakkig: welke taal je gebruikt om in te converseren is veel belangrijker. Wat dat betreft is het gebruik van Engels in Amsterdamse winkels potentieel wel een risico voor de status van het Nederlands aldaar, maar je moet dat in perspectief zien – buiten die winkels en buiten Amsterdam is het Nederlands wat de klok slaat.

Mocht je er toch wat aan willen doen, dan is het belangrijk te kijken naar de onderliggende oorzaken. Engels in het hoger onderwijs aanpakken? Verander de bekostiging. Minder Engels in de wetenschap? Zorg dat publiceren in het Nederlands weer aan prestige wint. >Engels in de horeca verminderen? Pak het personeelstekort aan. >Het oppervlakkige gevecht tegen het Engels heeft in ieder geval weinig zin. Als je echt iets wil veranderen, dan moet je dieper durven kijken.

Dit stuk verscheen eerder op De taalpassie van Milfje.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

5 Responses to Is de verengelsing van de Amsterdamse winkels een gevaar voor het Nederlands?

  1. Lucas schreef:

    ” In de wetenschap is het een gevolg van het prestige van het Engels ten opzichte van het Nederlands.”

    Ik zou dit willen parafraseren (of prestige willen operationaliseren). Er zijn denk ik twee factoren:

    1. Als je wilt dat je onderzoek gelezen wordt, moet je het in een taal schrijven die een brede doelgroep kan bereiken. Engels is dan handiger dan Nederlands. En dit is ongetwijfeld waarom er nog genoeg in Frans of Duits wordt gepubliceerd, en waarom binnen bepaalde disciplines er genoeg in het Nederlands te vinden is; de doelgroep is die taal machtig.

    2. Impact. Uiteraard is dit sterk verbonden aan punt 1, maar we worden als academici afgerekend op de kwaliteit van ons onderzoek (en onderwijs). Kwaliteit is geoperationaliseerd als dingen als h-index en de impactfactors van de tijdschriften waarin we publiceren. Omdat Nederlandstalige tijdschriften minder gelezen worden, worden ze minder geciteerd, en is hun impactfactor kleiner. Dus ga je zeker als junior onderzoeker, maar ook als tenure ambiërende academicus daar niet zomaar in publiceren. Het schaadt je reputatie zoals die door managers en commissies (van NB academici) wordt beoordeeld. Publiceren moet dus wel in het Engels (of wellicht Chinees?).

    Natuurlijk is Engels ook gewoon de lingua franca, en ik denk dat Engelstalige abstracts al helpen. Maar uiteindelijk is schrijven in het Nederlands gewoon carrièretechnisch niet handig. Ik zie niet hoe je dat aan prestige kunt laten winnen met oog op punt 1. (Voor de volledigheid, ik probeer nog wel Nederlands te schrijven, maar mijn academisch Nederlands is wat roestig.)

    Punt 1 zie je, zoals je al zegt, ook in de horeca terug. Ja, je kunt wel botweg Nederlands blijven praten, zoals in sommige Belgische steden het Frans nog dogmatisch gepropageerd wordt. Maar daarmee snijd je jezelf in de vingers.

    • msvandermeulen schreef:

      Ja, helemaal mee eens. Het was ook niet als direct concrete oplossing bedacht, meer als voorbeeld van hoe onderliggende factoren belangrijk zijn áls je iets wil doen aan een dergelijk probleem.

      Een oplossing waar ik de laatste tijd over aan het nadenken ben is vakbladen. Die worden vrij veel gelezen, zijn in het Nederlands, en hebben een soort valoriserende werking. Punt daarbij is de lage (of afwezige) impactfactor. Als publiceren in die bladen (of op blogs, ik noem maar wat) beloond kan worden, snijdt het zwaard volgens mij aan twee kanten.

  2. Rob Duijf schreef:

    ‘Engels in de horeca verminderen? Pak het personeelstekort aan.’

    Werk in de horeca is vooral seizoenswerk met tijdelijk personeel. Het lijkt mij, dat veel buitenlandse studenten van de gelegenheid gebruik maken om hier een centje bij te verdienen, en ja, dan is Engels de ‘lingua franca’.

    Voor seizoenkrachten in de horeca geldt het wettelijke minimum (jeugd)loon. Dan sta je als negentienjarige te buffelen voor een krappe vijf euro bruto per uur en mag je hopen dat de klanten in jouw ‘straat’ je nog een fooi toestoppen.

    Ik weet het niet zeker, maar het zou me niet verbazen als ook in andere sectoren in het toeristische hart van de stad van seizoenswerkers gebruik wordt gemaakt.

    Zoals in zoveel internationale steden, kon je in het Gouden Eeuwse Amsterdam ‘alle talen van de wererld’ horen spreken. Met ‘pidgin’ kon je een end komen… Nederlanders zijn wat dat betreft cultuurhistorisch gezien pragmatici, maar dit verschijnsel doet zich vooral voor in de internationale (toeristische) centra.

    De strijd tegen het Engels hebben we bij voorbaat verloren, dus zouden we daar onze energie niet in moeten steken. In plaats daarvan kunnen we beter investeren in het niveau van het Nederlands (literatuur)onderwijs, zoals al eerder op dit blog aan de orde kwam (bijvoorbeeld: ‘Waar Zijn De Hoeders Van Het Literatuuronderwijs’, 25 januari 2017). Een studie Nederlandse Taal- en Letterkunde moet vanzelfsprekend in de Nederlandse taal worden aangeboden en niet in het Engels. Dat is van de zotte…

  3. Sarah schreef:

    Bedankt Marten voor dit artikel. Als Brusselaar actief in de NT2-sector heb ik met veel interesse je objectieve benadering gelezen, die ik zelf wel eens mis, gezien ik zowel woon als werk in Brussel.

  4. Gerrit van Uitert schreef:

    Het gaat hier niet om Nederlands in de wetenschap, maar om de taal die we spreken op straat en in de winkel. In die alledaagse situaties moet men juist nóg voorzichtiger zijn om een andere taal te gebruiken, en dat niet alleen om principiële, maar ook om praktische redenen. Het is juist op het alledaagse, informele vlak dat talen het meest van elkaar verschillen: probeer eens je boodschappenlijstje van het weekend in het Engels te vertalen — het zal je niet meevallen. Daarom wil ik desnoods wel een Engelstalige lezing bijwonen, maar niet in die taal boodschappen moeten doen, tenminste niet in mijn woonplaats.

Reacties zijn gesloten.