Haplologie

Nultaal (23)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Soms maken taalgebruikers zelf van iets niets. Eerst een bekend voorbeeld. In de volgende zin komt er twee keer voor: Er zijn er vijf. Maakt u deze zin eens vragend. U houdt dan maar één er over: Zijn er vijf?

Het verschijnsel is ruim een eeuw geleden al door de beroemde Amerikaanse linguïst Bloomfield onderzocht. Hij beperkte zich tot de combinatie van twee gelijke lettergrepen of twee gelijke woorden. Bijvoorbeeld idolatrie dat van idololatrie komt, of tijdens een half uur durende vergadering, waarin het tweede een ontbreekt. Het gaat om een vergadering die een half uur duurt. Bloomfield noemde dit verschijnsel ‘haplologie’, van het Griekse ‘haplos’ voor ‘enkelvoudig’. En als u glimlacht bij ‘haplogie’, hebt u het verschijnsel begrepen. Eigenlijk is haplologie, ‘enkelzegging’, het tegenovergestelde van tautologie (‘dubbelzegging’). Zie hierover Nultaal 16.

Haplo-verschijnselen komen ook in de spelling voor. Daar gaat het om letters, en heet het haplografie. We zouden naar analogie van hij loopt eigenlijk hij eett moeten schrijven. En als een zin eindigt op enz. zetten we niet nog een punt. Leerlingen zijn soms heel haplografisch en schrijven bijvoorbeeld de grote waar het de grootte moet zijn. Wel logisch eigenlijk, want ze hebben geleerd dat er een letterdief is die groot inkort tot grote.

De analyse van haplologie tot nu toe heeft zich beperkt tot lettergrepen en lidwoorden. Zie  (na inlog) de Schrijfwijzer voor meer voorbeelden. Maar er blijven talrijke twijfelgevallen in combinatie met een lidwoorden. Mist u in de volgende zin een lidwoord of een gelijkluidend woordje?

  • Drie jaar na de vernieling van de fontein klatert het water weer uit de sproeikop en wast het marmer schoon.

In een samengestelde zin met en mag het onderwerp na en worden weggelaten, ook in verkorte vorm: Het water stroomt en (het) is helder. Dat is zeker het geval wanneer er anders twee dezelfde woordjes – zij het in verschillende functie – direct achter elkaar komen: het het marmer. Dus bestaan er ook gevallen van ‘optionele haplologie’.

Haplologie bestaat ook bij andere woordsoorten, bijvoorbeeld hulpwerkwoorden en voorzetsels. Twee voorbeelden.

  • Laten we deze muziek eerst eens op ons inwerken.
  • Zij voerden de gegevens in het systeem.

In de zin met laten is nog een keer laten in rook opgegaan. Immers, het is: We laten de muziek op ons inwerken. En deze zin is opgenomen in een ‘aansporende wijs’ met laten: Laten we dit doen. Dus er zou moeten staan: Laten we deze muziek eerst eens op ons laten inwerken. En in het tweede voorbeeld gaat het om het invoeren van gegevens in een systeem. Dus zou er eigenlijk moeten staan: Zij voerden de gegevens in in het systeem.

De voorzetsel-haplologie bezorgt mij nogal wat hoofdbreken. Nog twee voorbeelden.

  • Deze ouders passen zich te veel aan aan de wensen van de kinderen.
  • Zij passen op de kinderen.

Waarom is in deze voorbeelden haplologie niet mogelijk bij aan en wel bij op. Immers het is oppassen en dat doe je op kinderen. U bent nu voldoende toegerust om na te denken over de volgende zin: Ik bied aan aan u voorbeelden op te sturen. Mocht u geen voorbeelden kunnen vinden, zoek dan iets op op internet.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

4 Responses to Haplologie

  1. Gerard van der Leeuw schreef:

    Ik moest wel denken aan Toon Hermans met zijn aanzitten aan het banket (maar je mag nergens aanzitten!).
    Bij het voeren van de gegevens kreeg ik een lachstuipL ik zou niet weten hoe ik gegeven pap zou kunnen voeren. Ik ou zeggen zij voeren de gegevens inn het systeem in. Dat werkt minder op de lachspieren.

  2. Mient Adema schreef:

    Bij “zij passen op de kinderen” gaat het naar mijn smaak meer om het werkwoord (in die betekenis eigenlijk niet bestaande) “passen” dat als lijdend voorwerp iets heeft met een voorzetsel, terwijl “oppassen” meer een intransitief werkwoord is. Een oppas houdt een kind in de gaten, maar als hij dat niet doet, past hij nog steeds op (hij is immers oppas). Oppassen kun je alleen maar bij kinderen doen, als je er niet al voor moet oppassen.
    Op kinderen oppassen zou dan een vermenging zijn van een feitelijke bezigheid met een in de volksmond dankzij de emancipatie in zwang geraakte funktie. Een soort contaminatie dus.

  3. Er zijn nog meer leuke gevallen van haplografie:

    – “iets moois”, “iets kleins” … en dus ook “iets brooss” (maar het is “iets broos”)
    – “geboord”, “gevuld” … en dus ook “gebrandd” (maar het is “gebrand”)
    – “geplast”, “gelekt” … en dus ook “geplett” (maar het is “geplet”)
    – “Jans boek”, “Miekes stoel” … en dus ook “Joss bril” (maar het is “Jos’ bril”)
    – (bij adjectieven) “Chileens” (“Chileen” + “s”), “Italiaans” (“Italiaan” + “s”) … en dus ook “Chineess” (“Chinees” + “s”) (maar het is “Chinees”)

    Vreemd is dat we een apostrof moeten schrijven in “Jos’ bril”, terwijl we toch geen bezits-s horen bij het uitspreken van “Jos’ bril” en dat niet fout begrepen wordt. De spelling “Jos bril” (zonder apostrof) zou dus net zo min als “iets broos” een probleem mogen opleveren.

Reacties zijn gesloten.