Framen voor beginners: de casus Neerlandistiek

door Peter-Arno Coppen

Welkom bij de cursus ‘Framen voor beginners’, waarin wij deze week bespreken hoe je een succesvolle opleiding door vakkundig framen om zeep kunt helpen. We nemen als voorbeeld de universitaire studie Neerlandistiek uit de vorige eeuw (elke gelijkenis met echt bestaande opleidingen is natuurlijk toeval). Die opleiding leunde op een aantal belangrijke voordelen: er zaten drie domeinen in (literatuur, taal en taalgebruik) waarin je kon specialiseren. Behalve de voor de hand liggende samenhang tussen deze drie was het voordeel dat je die specialisatie tot later in je studie kon uitstellen, tot het moment dat je op grond van een basiskennis in alle domeinen een goed beeld van je mogelijkheden had. Een ander belangrijk voordeel was dat de opleiding gekoppeld was aan een schoolvak. Hierdoor kon je al op school een indruk krijgen van de rijkdom van de opleiding, en er was een extra carrièreperspectief: na een studie Neerlandistiek had je behalve alle mogelijkheden van je gekozen specialisatie ook nog eens de mogelijkheid om zonder verdere inhoudelijke scholing leraar te worden. Daar had je alleen nog een beroepsopleiding voor nodig die je in een jaar kon afronden.

Vanzelfsprekend trok zo’n opleiding reusachtige aantallen studenten aan, maar de reus werd door zijn eigen succes in slaap gesust. Hierdoor ontstond ruimte voor een aantal ontwikkelingen. De drie specialisaties splitsten elk meerdere eigen studierichtingen af, maar die zaten natuurlijk meteen met een groot PR-probleem: zij misten de voordelen van de Neerlandistiek: je legde je meteen vast op een specialisatie (soms nog voordat je goed en wel wist wat die inhield omdat je er op school niks over geleerd had), en je kon er niet meteen leraar mee worden (je moest je op de andere twee domeinen dan eerst ten minste een half jaar extra bijscholen).

Profiterend van de slapende reus hanteerden de gespecialiseerde opleidingen twee communicatiestrategieën: ten eerste zochten ze naar een unique selling point. Specialisatie in taalgebruik werd voorgesteld als economisch nuttig, specialisatie in taal als maatschappelijk relevant, en specialisatie in literatuur als cultureel betekenisvol. Dat eigenlijk alle drie die specialisaties alle drie die voordelen konden hebben (en de Neerlandistiek uiteraard vanzelf al alle drie) was niet zo van belang: je kunt beter op één punt inzetten, dat komt krachtiger over, vooral als je de enige bent die zich daarop profileert.

Nog effectiever was het dat de gespecialiseerde opleidingen de voordelen van hun voorouderlijke concurrent gingen reframen als nadelen. Hiermee sloegen zij twee vliegen in een klap: de Neerlandistiek leek ineens allerlei nadelen te hebben die de gespecialiseerde opleidingen niet hadden, en dat laatste was dus juist weer een voordeel. 2-0!

Het voordeel dat je pas later een specialisatie hoeft te kiezen kon vakkundig omgebogen worden tot een nadeel, door te stellen dat je bij een directe specialisatie niet eerst die twee andere saaie domeinen hoeft door te ploeteren om aan het interessante domein te beginnen. Let vooral op de nuttige werking van het werkwoord hoeven. Dat suggereert op een subtiele manier dat je iets nadeligs kunt vermijden, zonder dat je expliciet zegt dat iets nadelig is. De gespecialiseerde opleidingen benadrukten daarnaast dat het beter is om meteen te beginnen met je specialisatie, want dan kun je er dieper in doordringen. Dat had bij de ene opleiding aanvankelijk meer succes dan bij de andere, maar het was hoe dan ook nadelig voor de instroom in de Neerlandistiek.

Het voordeel dat de studie Neerlandistiek een extra beroepsmogelijkheid biedt (en alle beroepsmogelijkheden van de specialisaties al in zich verenigt) was moeilijker te bestrijden. Hier was een dubbele aanpak voor nodig: ten eerste moest die extra beroepsmogelijkheid als iets onaantrekkelijks worden voorgesteld, maar dit werd gemakkelijker doordat er aan alle universiteiten heel veel gespecialiseerde studies ontstonden, die allemaal last hadden van het feit dat ze de mogelijkheid om leraar te worden niet konden bieden. Het aandikken van een negatief imago van het leraarschap in het algemeen is gemakkelijker dan je zou denken. Een paar aansprekende voorbeelden van chaos in een klas, werkdruk en bureaucratie en je punt is al snel gemaakt.

Toen het leraarsberoep voldoende onaantrekkelijk was voorgesteld, was de volgende stap dat de suggestie gewekt moest worden dat je met de studie Neerlandistiek bijna leraar moet worden. De andere beroepsmogelijkheden van de Neerlandistiek (die, zoals gezegd, de optelsom vormden van de gespecialiseerde opleidingen) zouden zo onder het tapijt verdwijnen, maar belangrijker was dat de gespecialiseerde opleiding het zojuist gecreëerde nadeel dat je er leraar mee zou moeten worden, vanzelfsprekend niet had. Het eigen nadeel dat je met de gespecialiseerde opleiding geen leraar kunt worden, werd zo omgebouwd tot een voordeel.

Zo ontstond de situatie van rond de eeuwwisseling: de gespecialiseerde opleidingen begonnen te groeien, en de reus begon te krimpen. Wat ook niet hielp was dat het schoolvak waar de Neerlandistiek mee verbonden was, zich steeds meer van die studie ging afscheiden. Doordat de Neerlandistiek de koppeling met het schoolvak jarenlang als vanzelf kon beschouwen, was er weinig animo om die band nog eens te versterken: die was er toch wel, dacht men. Maar het schoolvak is groter dan het kleine gedeelte dat aansluit bij de studie Neerlandistiek, en andere schooltypes dan de aansluitende hebben andere besognes. Die zitten in hun maag met lees- en schrijfvaardigheid, en de Neerlandistiek bood op dit punt onvoldoende aanknopingspunten tot samenwerking.

Het gevolg van al deze ontwikkelingen was dat de slapende reus was ingekrompen tot een dwerg. Toen werd hij wakker.

Wat nu gedaan? Wat doe je als je het slachtoffer bent geworden van framing? Je kunt je voordelen niet meer uitspelen, want die zijn al effectief omgebogen in nadelen. Paniek. Je eerste reactie is dat je die vermeende nadelen zelf gaat bestrijden. Dus ging de opleiding Neerlandistiek ervoor proberen te zorgen dat je ook bij die opleiding meteen kon specialiseren, of ze gingen zelfs hele domeinen schrappen: die lastige taalkunde er grotendeels uit, of meer van die succesvolle specialisaties erin. En ze gingen met schrille stem roepen dat je met de studie Neerlandistiek geen leraar hoeft te worden.

De desastreuze gevolgen van deze strategie waren niet te overzien. Door de vermeende nadelen te bestrijden die het gevolg waren van de framing van de concurrenten, bevestigde men juist de resultaten daarvan. Men bevestigde dat het een nadeel is om later te specialiseren, en dat het onaantrekkelijk is om leraar te worden. Bovendien bevestigde men de van het begin af aan al onjuiste suggestie dat een studie Neerlandistiek noodzakelijk tot het leraarschap leidt. Daarmee werden de eigen al aangetaste voordelen definitief om zeep gebracht. Want het was nu juist een voordeel om eerst de drie domeinen in samenhang te krijgen, en het was een extra beroepsmogelijkheid dat je leraar kon worden. Kortom: zo werd de superioriteit van in wezen (of althans vanuit dit perspectief) inferieure alternatieven eerder bevestigd dan bestreden.

Juist de Neerlandistiek (waaronder het domein taalgebruik valt) had beter moeten weten. Als je slachtoffer bent geworden van framing moet je die framing nooit bevestigen. Je moet de framing ontmaskeren, of zelf weer reframen. Hoe je dat moet doen, en of de studie Neerlandistiek daar uiteindelijk in slaagde, zien we volgende week. Lees ter voorbereiding alle berichten in de media en sociale media, en wijs de hier uitgelegde patronen van framing aan. Overigens is onze voertaal de volgende week weer gewoon het Noord-Koreaans.

 

Dit bericht is geplaatst in Neerlandistiek voor de klas met de tags , . Bookmark de permalink.

21 Responses to Framen voor beginners: de casus Neerlandistiek

  1. Ooms Miet schreef:

    Dit vind ik een sterk en heel helder stuk.

  2. Margriet Rutgers schreef:

    Een goed verhaal, wel een beetje abstract. Ik heb zelf Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd in Leiden midden jaren zeventig en het was een prachtstudie met inderdaad drie onderdelen in de kandidaatsperiode: literatuur, taalkunde en taalbeheersing. Daarna in de doctoraalfase: specialisatie in een van de drie. Daarnaast koos je een bijvak in een andere studierichting en eventueel het vak didactiek. Wat er sindsdien allemaal verkloot is richting deze totale neergang en afgang, weet ik niet precies maar dat lezen we o.a. hierboven.
    Economische verkramping en kortzichtigheid ten top. Dit moet echt stoppen. Je eigen taal en cultuur studie opheffen, dan spoor je toch niet?

  3. H.F.J.M. Pols schreef:

    Het artikel van Peter-Arno Coppen is prachtig, zeer belangwekkend. Ik heb Nederlandse taal- en letterkunde gestudeerd in Amsterdam (UvA), tussen 1974 en 1981 (in dezelfde periode ook een half jaar in Utrecht en een half jaar in Leiden). En in 1981 ben ik docent Nederlandse taal- en letterkunde geworden aan een school voor HAVO en VWO. Na 1981 heb ik nog jaren postacademisch onderwijs in de Neerlandistiek gevolgd aan de Rijksuniversiteit Groningen. In het artikel van Peter-Arno Coppen mis ik evenwel een belangrijke oorzaak van de teloorgang van de academische studie Nederlandse taal- en letterkunde: het uitermate saaie schoolvak Nederlands in het VO. In 1998 werd de bovenbouwopleiding de ‘tweede fase’ genoemd en de school werd een ‘studiehuis’. Leerlingen moesten vooral zelfstandig kennis verwerven over – o.a. – de Nederlandse letterkunde. De docent werd vooral ‘begeleider’ van het studieproces. En daarmee verdween ook de mogelijkheid om leerlingen te inspireren, met verve te vertellen over Mariken, over Vondel, over Multatuli, over Couperus, etc. Daar kwam toen bij, dat vele scholen het domein ‘literatuur’ van de vakken Nederlands, Duits, Frans, Engels op één hoopje hebben geveegd, het hoopje werd een nieuw vak: ‘letterkunde’. Het was een pluizig één-uurs vakje per week, het was van geen enkele betekenis. Ik heb het vakje één jaar gegeven – en toen had ik er geen zin meer in. In de jaren daarna werden, uit nood, veel onderbevoegde docenten aangesteld om het ‘vakje’ te geven, maar zij hadden zelf nooit iets gelezen van Multatuli of Couperus, van Goethe of Thomas Mann, Baudelaire, Zola, Shakespeare of Joyce. En daartoe waren zij ook niet in staat. Het schoolvak Nederlands gaat inmiddels nergens meer over. Dr. Theo Witte (RuG) heeft daarover geschreven in (o.a.) de Volkskrant. Dit jaar zal het tijdschrift ‘Onze Taal’ in elke aflevering publiceren over het armoedige schoolvak Nederlands. Vrijwel geen enkele gediplomeerde VWO’er zal nog kiezen voor een studie Nederlandse taal- en letterkunde. En die VWO’er doet daar zeer verstandig aan!

    • Helge Bonset schreef:

      Vaak heb ik me afgevraagd of mensen als Witte, Van Oostendorp en Bennis, die in alle media het schoolvak Nederlands framen als saai steunvak, wel beseffen dat dit de huidige scholieren niet bepaald zal stimuleren om voor de studie Nederlands te kiezen. Maar bij de heer Pols hoef ik me deze vraag niet te stellen. Hij vindt ronduit dat het verstandig is als geen VWO’er meer kiest voor de studie Nederlandse taal- en letterkunde.
      Met zulke vrienden heeft de studie Nederlands geen vijanden meer nodig.

      • Peter-Arno Coppen schreef:

        Ik denk dat oorlogszuchtige frames en externe attribueringen sowieso geen goede basis vormen voor samenwerking die behalve de belangen van de leerlingen ook die van de neerlandistiek ten goede komt.

        Daarbij vind ik de mening van elke leerling die het vak saai vindt niet minder van belang dan die van leerlingen die er uitermate tevreden over zijn. In beide meningen ligt een verschillend probleem voor de neerlandistiek: in het eerste geval is de vraag of de interessante aspecten van de neerlandistiek wel voldoende tot hun recht zijn gekomen, en in het tweede is de vraag wat dan een studiekeuze voor de neerlandistiek tegenhoudt.

      • DirkJan schreef:

        Leerlingen gaan waarschijnlijk primair geen Nederlands studeren omdat hun vak op school niet boeiend genoeg is en denken dat de studie wel net zo saai zal zijn. Maar als leerlingen wel beter weten wat een studie Nederlands inhoudt, dan kan Nederlands studeren nog steeds niet aantrekkelijk zijn als je docent wilt worden: wat heb je aan een brede, interessante studie als je later in het onderwijs je vooral moet beperken in het les geven van onaantrekkelijke onderdelen?

        Het gaat dus om aanpassing van het curriculum op de scholen en om de beeldvorming van wat een studie Nederlands inhoudt en welke perspectieven die biedt.

        Vandaag in NRC spraken Christiaan Weijts en Marc van Oostendorp over elkaars standpunten en ervaringen.

        https://www.nrc.nl/nieuws/2019/03/01/de-bachelor-nederlands-is-niet-langer-relevant-a3862635

      • Je kent nu wel heel veel macht toe aan ‘framing’. Als dit zou kloppen, betekent het dat allerlei leerlingen die dag in dag uit genieten van wervelend onderwijs over signaalwoorden, op een dag in de krant lezen dat dit onderwijs eigenlijk ‘saai’ is, en dat dan geloven.

      • H.F.J.M. Pols schreef:

        Helge Bonset,

        Het vak Nederlands op het atheneum en gymnasium moet weer kleur om de neus krijgen! Nu gaat dat vak nergens over! Bekijk voor de aardigheid eens het landelijk examen Nederlands voor VWO, gemaakt door CEVO/CITO. Dat examen gaat toch nergens over? Ja, over alineaverbanden, over type argumentatie, over niets en daarover een multiple choise vraag. Het vak Nederlands op het VO moet Nederlandse taal- en letterkunde aanbieden! Op het CE zouden vragen moeten worden gesteld over de grammaticaliteit van zinnen en vragen als: ‘Noteer in ten hoogste tien woorden de les uit de Mariken’; of: ‘Aan welk historisch feit herinnerde Vondels ‘Gysbreght van Aemstel’ zijn publiek? Wat is er gebeurd in 1672? Wat heeft Van Effen in hoofdzaak duidelijk willen maken? In hoeverre kun je het werk van Helmers ook verzetspoëzie noemen? Etc., etc. Het vak Nederlands biedt zijn leerlingen hooguit wat trucjes en kunstjes aan, voor het CE-Nederlands. Leer een blind zwijn, een vos met een aangeschoten achterpoot of een hoogleraar dezelfde trucjes aan – en zij krijgen alle drie ten hoogste het cijfer 6.1.

  4. jean schreef:

    Is er ook een mooi Nederlands woord voor framen?!

    • Peter-Arno Coppen schreef:

      fremen?

    • DirkJan schreef:

      Framen mag dan uit het Engels komen, inmiddels is het ook een prima ingeburgerd Nederlands woord geworden. Maar wat betekent het nu eigenlijk? Al vijf jaar geleden twitterde ik:

      framen: Een mening of visie verkondigen met selectieve argumenten.

      • Mient Adema schreef:

        Heb dan het idee dat framen wel met selectieve argumenten gebeurt, maar dan zonder dat de framer zich daarvan bewust is. Hij ziet iets door zijn bril en wil anderen dat ook zo laten zien. Maar het kan ook expres gedaan worden en dat zou pas echt kwalijk zijn. Nee, bij nader inzien lijkt me framen toch een bewuste keus om je zin door te drijven: oogkleppen voor andere opties.

  5. Tine Van Steene schreef:

    Al eens gedacht aan een grensoverschrijdende samenwerking om het zinkende schip te redden?

    Als docent Nederlands volg ik al jaren het debat in Nederland én in Vlaanderen en verbaas ik me er telkens over dat jullie/wij elkaar niet kennen. Aan beide kanten van de landsgrens lijkt een tendens aan de gang om het Nederlands van de kaart te vegen. In het Noorden verwatert onze taal tot Nederengels. In het Zuiden wentelen sommigen zich genoegzaam in een regionale versie van het algemeen Nederlands. Jammer genoeg blijkt de TaalUNIE (nomen est omen?) een taalscheiding tussen Noord en Zuid te propageren (zie de Visietekst van de Taalunie).

    Wat is er mis met ons, Nederlanders en Vlamingen? Waarom slaan wij de handen niet in elkaar?

    • Los van alle waardeoordelen die u uitspreekt: er zijn wel degelijk contacten over en weer. Een en ander wordt wel bemoeilijkt doordat er in dit geval allerlei verschillen zijn die weinig met taal te maken hebben, maar wel van alles met bijvoorbeeld een verschillende organisatie van het hoger onderwijs.

    • Peter-Arno Coppen schreef:

      Ik sluit mij aan bij wat Marc antwoordt. Ik kan daar nog aan toevoegen dat een van mijn promovenda, Astrid Wijnands, in haar onderzoek naar verrijking van het grammaticaonderwijs, werkt met een Vlaams én een Nederlands docententeam. Op de conferentie Het Schoolvak Nederlands in november komen elk jaar ongeveer 500 docenten en andere professionals uit België en uit Nederland met elkaar praten en naar elkaar luisteren over onderwijs (afgelopen jaar in Brussel, volgend jaar in Zwolle). Er is dus wel degelijk in het onderwijs niet alleen een wederzijdse wil tot samenwerking, er zijn ook daadwerkelijke activiteiten die daar uitdrukking aan geven.

      • Tine Van Steene schreef:

        De Conferentie Het Schoolvak Nederlands ken ik. Ik nam er verschillende keren aan deel. Ik juich elke vorm van samenwerking toe. De radio-uitzending over Nederlandstalige muziek georganiseerd door een Vlaamse én Nederlandse zender samen kreeg veel lof maar kende (nog) geen vervolg. Er mochten meer dergelijke initiatieven komen die beklemtonen wat ons verbindt en die álle Nederlanders en Vlamingen wakker schudden. Het is vijf voor twaalf voor onze taal. Laten wij ze behoeden.

  6. L. Koopmans schreef:

    Als niet-Neerlandicus (ik ben financieel redacteur) toch een interessante discussie om te volgen. Mijn herinneringen aan het vak Nederlands betreffen vooral literatuur, en dat kwam doordat de leraar heel erg veel tijd besteedde aan dit onderwerp en nauwelijks aan taalbeheersing. Bij deze aspecten (opstel, samenvatting, etc) werden we min of meer aan ons lot overgelaten. Ik associeerde Neerlandistiek op de universiteit dan ook met literatuur, helemaal na de tv-serie ‘Bij nader inzien’. Als je iets met communicatie wilde dan koos je geen Nederlands, en juist de communicatiebranche was een groeier bij uitstek sinds de jaren negentig. Het vak Nederlands op het VO heeft zich daar ook op aangepast is mijn indruk.

    • Margriet Rutgers schreef:

      De studie Nederlands op de universiteiten wordt denk ik per universiteit verschillend ingevuld. Dat geldt nog meer voor het vak Nederlands in het Voortgezet Onderwijs, vermoed ik. Hoewel dat officieel niet de bedoeling is. Daardoor kunnen (grote) verschillen ontstaan per onderwijsinstelling, los van enthousiasme, kunde en opvattingen van individuele docenten.
      Met de brede studie Nederlands kon je altijd – behalve leraar – een beroep in de communicatie kiezen. Ik weet niet of dat nog steeds zo is, maar waarom niet?
      Het vak communicatie is geen wetenschap, maar een toegespitste praktijkopleiding. Daarom zou dit vak alleen op hbo-niveau gegeven moeten worden. Misschien verdwijnt dan ook wat verwarring over de studie Nederlandse taal- en letterkunde. Maar die heet tegenwoordig in Leiden opleiding Nederlands. Misschien ook al niet meer. Allemaal nodeloze, organisatorische veranderingen, mogelijk ingegeven door economische bekostigingsplaatjes. Doe daar dan wat aan.

  7. Marjan schreef:

    Wat een pracht van een examentekst!

Laat een reactie achter