En sloeg en sloeg en sloeg

Door Wiel Kusters

Gerard David,(?-1523): Christus aan het kruis genageld, ca. 1481
National Gallery

Eind 1916, begin 1917, schreef M. Nijhoff het volgende gedicht, dat ik citeer uit de in 1993 verschenen  historisch-kritische editie, die werd verzorgd W.J. van den Akker en G.J. Dorleijn.

De soldaat die Jezus kruizigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief –’
 Liefde als een gruwelijk geheim begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

 Nu, als een dwaas, een spijker in de hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In iedren muur, in iedren balk of stam,
Of in mijn arm, of, hurkend in het zand

En antwoord, als de menschen mij wat vragen:
‘Hoor je den dreun van verre hamerslagen?’

Het gedicht beleefde zijn eerste publikatie in de tweede jaargang van Het getij, mei 1917. Wie deze versie vergelijkt met de tekst zoals hij nu in de gewone editie van de Verzamelde gedichten te lezen valt, kan zich verbazen over een aantal verschillen, – waarvan de vervanging van een z door een s in ‘gekruizigde’ wel de minste betekenis heeft.

In plaats van de oorspronkelijke regel vier, die enerzijds het wat afstandelijke karakter van een toelichting heeft (de liefde waar de gekruisigde om vraagt, kan niet anders worden opgevat dan als een ‘gruwelijk geheim’) en die anderzijds door dat al te expliciete, beschrijvende en kwalificerende woord ‘gruwelijk’ minder evocatief is dan hij op grond van puur dichterlijke suggestie zou kunnen zijn, – in plaats nu van die nog niet helemaal geslaagde regel schrijft Nijhoff zeven jaar later, in 1924:

En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

De ‘gruwelijkheid’ van het geheim is in ‘grootheid’ veranderd, waardoor het numineuze, dat doet beven èn fascineert, niet langer eenzijdig, als iets afschrikwekkends, geduid wordt. En bovendien: de afstandelijke predikatieve toevoeging, met behulp van een voltooid-deelwoordconstructie, is omgeslagen in een persoonlijke zegging: ik had het groot geheim voorgoed begrepen.

Dit laatste is voor de uiteindelijke betekenis van het gedicht van groot belang. Al in deze eerste strofe van ‘De soldaat die Jezus kruisigde’ gaat het om de beslissende ontmoeting van twee personen: ‘Wij sloegen hem aan ’t kruis’, staat er. Maar uit dat collectief maakt zich al spoedig in de tweede regel, een ‘ik’ los (eigenlijk een weinig nadrukkelijk aanwezige ‘ik’, instrument van een gezamenlijke wil), die door Jezus in de regel daarna meteen ook bij zijn naam wordt genoemd. Regel vier spreekt vervolgens met nadruk, conform het metrum, van ‘ik’. De soldaat heeft het begrepen; hij is gegrepen. Het valt moeilijk hier niet aan het bekende sonnet van de door Nijhoff bewonderde Jacob Revius (1630) te denken: ‘Hy droech onse smerten’:

T’en sijn de Joden niet, Heer Jesu, die u cruysten,
[…]
Ick bent, ô Heer, ick bent die u dit heb gedaen

Welke veranderingen zien we nog meer?

Waar Nijhoff in de negende regel aanvankelijk schreef: ‘Nu, als een dwaas, een spijker in de hand’, schreef hij later: ‘Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand’, waardoor het gedicht plotseling een bijzonder emotionerende, verbijsterende betekenis krijgt. De soldaat houdt niet alleen een spijker vast, als een soort schrijfstift; nee, hij is gewond op de wijze van de gekruisigde. Hij heeft een radicaal antwoord gegeven op de tot hem gerichte vraag ‘Heb mij lief’. Zoals Jezus hèm bij zijn naam noemde, zo schrijft deze soldaat nu zelf overal de naam van de veroordeelde,  die hem riep en daarmee als het ware voor altijd aan zich vastklonk. Identificatie is onontkoombaar gebleken.

Bijzonder duidelijk wordt dat in de laatste regel van het definitieve gedicht, waar Nijhoff  de woorden ‘En antwoord, als de menschen mij wat vragen / “Hoor je den dreun van verre hamerslagen!”‘ vervangen heeft door: “En antwoord als de menschen mij wat vragen: / “Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.”‘

Dat is een ongelooflijk krachtig en prachtig slot, trefzeker, nagelvast. En het is fascinerend, te zien dat de laatste regel van Nijhoffs gedicht zich niet uit de regels één tot en met dertien naar buiten heeft kunnen werken dan nadat ‘een spijker in de hand’ veranderd was in ‘een spijker door mijn hand’.

In de eerste versie van ‘De soldaat die Jezus kruisigde’ dreunen de hamerslagen uit het verleden nog na en staat het slot van het gedicht in het teken van een schuldbesef, dat moeilijk te rijmen valt met de sadistisch geconnoteerde liefdesdaad die de soldaat in zijn ‘gekte’, zijn furor, al hamerend dacht te stellen.

De slotregel van Nijhoffs laatste versie is ook daarom zoveel beter, omdat hij duidelijker overeenstemt met het ongewone mystiek- erotische karakter van de gebeurtenis. Het furieuze buiten zichzelf raken van toen (een ‘gek’) is in beide versies immers in een zachtmoediger gekte (‘dwaas’) veranderd. De toestand waarin de soldaat van toen nú verkeert, is niet zonder pijn; niet zonder verlangen ook. Maar de zachtheid en de overgave die uit zijn situatie spreken, en die samenhangen met een verregaande vorm van identificatie met de gekruisigde, die de rollen heeft omgedraaid, zijn toch gemakkelijker met de eerste twee strofen te verbinden dan het schuldgevoel (dat weer even aan Revius’ sonnet herinnert ) waarop de laatste regel van de eerste versie duidt.

Zo nu luidt het defitinieve gedicht voluit, zo kwam het in 1924 in de bundel  Vormen terecht:

De soldaat die Jezus kruisigde

Wij sloegen hem aan ’t kruis. Zijn vingers grepen
Wild om den spijker toen ‘k den hamer hief –
Maar hij zei zacht mijn naam en: ‘Heb mij lief –’
En ’t groot geheim had ik voorgoed begrepen.

Ik wrong een lach weg dat mijn tanden knarsten,
En werd een gek die bloed van liefde vroeg:
Ik had hem lief – en sloeg en sloeg en sloeg
Den spijker door zijn hand in ’t hout dat barstte.

Nu, als een dwaas, een spijker door mijn hand,
Trek ik een visch – zijn naam, zijn monogram –
In ied’ren muur, in ied’ren balk of stam,
Of in mijn borst of, hurkend, in het zand,

En antwoord als de menschen mij wat vragen:
‘Hij heeft een spijker door mijn hand geslagen.’

Lees maar, nu staat er wat er staat.

Dit bericht is geplaatst in gedicht, letterkunde met de tags , . Bookmark de permalink.