De vilder komt

Door Wiel Kusters

Dood paard

Hij is ineens van hout.
De warme buik is koud.
Zo wordt de wereld oud.
Zijn poten zijn te kort.
Er ligt haver gemorst
buiten de bek, die nog voor kort
je vingers fijn kon malen.
Zijn gele tanden briesen
tegen die hem den dood in bliezen.
Ogen als eierschalen.
De vilder komt hem halen.

Gerrit Achterberg

Dood paard. Installatie van ‘De Vier Evangelisten’ (1991). Wikimedia

In Achterbergs oeuvre is dit een uitzonderlijk gedicht, ver van het thema dat zo veel van zijn gedichten domineert, de poging tot contact met een in de dood verdwenen vrouw. Hier gaat het over de dood van een paard, en tegen die dood wordt weinig ingebracht. Hooguit geeft het beeld van de tanden nog even een illusie van leven: alsof het dode paard nog briest en fulmineert tegen wat hem is overkomen.

Het paard ligt op een zij, waardoor de benen plotseling veel korter lijken dan toen het nog rondliep. Achterberg spreekt van ‘poten’: het dier is van zijn adeldom beroofd, vermorst, als de haver die buiten de bek op de grond ligt, als braaksel bijna.

‘Die hem den dood in bliezen’ is treffend geformuleerd. Eventjes zien we de slachters en het briesende paard tegenover elkaar: geblaas van twee kanten, agressie én afweer.

De laatste adem uitblazen en iemand het levenslicht uitblazen: die betekenissen spelen zeker mee. Maar ook is hier een associatie mogelijk met het uitblazen van eieren: de ogen zijn als eierschalen, wit en ‘leeg’.

Opmerkelijk is dat Achterberg het paard ‘ineens van hout’ doet zijn. Daardoor komt de gedachte op aan een speelgoedpaard. En opeens is daar bij mij ook de herinnering aan twee gedichten van Rutger Kopland uit Een lege plek om te blijven (1975): ‘Hij is een echt paard, hij is echt/ dood, de mensen hebben hem lief gehad.’ Kopland stelt zich voor dat het speelgoedpaard waarover hij in feite schrijft, ooit teruggevonden zal worden, ‘als de mensen/ die hier wonen zijn gestorven’. Het wacht op een nieuw kind en op de nieuwe wieltjes die het dan zal krijgen. In het andere gedicht dat me te binnen schiet ziet de dichter in zijn herinnering ‘het paard weer, liggend/ met gestrekte benen, als was zij/ dood, met wieltjes, en de grijze/ veel te dikke buik waaruit een kraai/ pikt, dons en haren voor haar nest’.

Soms is een paard, hoewel dood en gevild, voor de dichter toch nog een Pegasus. Zoals hier, bij Hans Tentije in de bundel Nachtwit (1982):

z’n vel naar twee kanten afgestroopt
tussen romp en zoldering gespannen – vleugels
van een naakte schimmel

Gerrit Achterberg, Verzamelde gedichten. Amsterdam, Querido, 1972.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter