De toekomst van de taalbeheersing (1/n)

Door Lucas Seuren

Vorig jaar ging mijn toen nog Groningse collega Carel Jansen met emeritaat. In zijn afscheidslezing, die hij hield tijdens het driejaarlijkse VIOT Congres (Vereniging Interuniversitair Overleg Taalbeheersing) pleitte hij voor meer maatschappelijke betrokkenheid onder de taalbeheersers. Inmiddels heeft hij die positie verder uitgewerkt in een speciale uitgave van het Tijdschrift voor Taalbeheersing, waarbij een groep collega’s de ruimte heeft gekregen om op zijn stellingen te reageren. Het laatste woord is daarbij voor Jansen zelf, die kort nog reageert op de reacties. Daarmee bevind ik me in de luxe positie dat ik niet alleen kan reageren op Jansen zelf, maar ook op de reacties en de reactie op de reacties. Daar het hier dertien artikelen betreft zal ik dat doen in een korte serie, te beginnen met het hoofdartikel van Jansen, waarin hij pleit voor meer aandacht voor de praktijk en meer aandacht voor het schoolvak Nederlands.

Primaire motivatie

Beide stellingen van Jansen vloeien voort uit geobserveerde problemen, waarbij hij begint met de dagelijkse communicatiepraktijk. Historisch, voor zover we bij Taalbeheersing van historisch kunnen spreken, was de aandacht van het vakgebied primair gericht op het oplossen van problemen in de professionele communicatie. Dit is terug te zien in het werk van Carel zelf: zijn proefschrift, dat hij samen met Michael Steehouder schreef, ging over communicatieproblemen tussen burger en overheid. Denk hierbij aan formulieren zoals die van de belastingdienst of informatievoorziening door lokale overheidsdiensten die veel te complex waren voor veel burgers, met als gevolg dat zij geen aanspraak op of gebruik van hun rechten konden maken.

Maar in de loop der jaren is het onderzoeksobject volgens Jansen veranderd. Zoals hij het zelf formuleert:

“In meer en meer hedendaagse taalbeheersingsstudies echter is de relatie met problemen buiten de wetenschap maar lastig zichtbaar. Zelfs een paragraafje over de mogelijke praktische relevantie van de uitkomsten – het minste wat op dit vlak toch van een taalbeheersingsonderzoek verwacht zou mogen worden – ontbreekt vaak in de publicaties…”

Volgens Jansen moet taalbeheersingsonderzoek dan ook (weer) primair gemotiveerd worden vanuit maatschappelijk belang: wij als onderzoekers moeten weer problemen gaan oplossen. Hij geeft hierbij twee voorbeelden. Ten eerste leesbaarheidsonderzoek: de instrumenten om leesbaarheid te toetsen zijn niet deugdelijk, maar alternatieven zijn niet voorhanden. Het tweede punt is motiverende gespreksvoering: om te zorgen dat burgers gezondheidsadviezen van bijvoorbeeld artsen vaker opvolgen is Motivational Interviewing (MI) ontwikkeld. Daarvan wordt in overzichtsartikels vaak gezegd dat het werkt, maar het is volstrekt onduidelijk waarom en in welke omstandigheden.

Beide problemen zouden opgelost kunnen worden als de Taalbeheersing zich er (meer) mee bezig zou gaan houden. Dat heeft niet alleen duidelijk praktisch nut, maar we leren inherent ook meer over communicatietheorie, waardoor ook vanuit wetenschappelijk oogpunt het onderzoek gerechtvaardigd wordt.

Verandering?

Het is niet moeilijk om het hierover met Jansen eens te zijn. Althans, dat taalbeheersing kan en moet bijdragen aan het oplossen van dergelijke praktische communicatieproblemen. Maar mijn vraag is, gebeurt dat niet al? Als ik kijk naar mijn eigen subdiscipline, de conversatieanalyse, dan is overduidelijk dat praktische problemen al de primaire drijfveer van onderzoek zijn. Er komen maar weinig proefschriften zoals die van mij uit, die zuiver theoretisch gemotiveerd zijn. En de mensen die zich bezighouden met theoretische vraagstukken houden zich veelal ook bezig met praktische vraagstukken.

De redenen zijn zowel instrinsiek als extrinsiek: Veel jonge onderzoekers zijn meer geïnteresseerd in hoe communicatie werkt in bijvoorbeeld de zorg of het onderwijs, dan hoe communicatie an sich werkt. En daarnaast is het onderzoeksgeld vooral te vinden in de praktische hoek. NWO en de ERC financieren ook fundamenteel onderzoek, maar praktisch nut krijgt een grotere rol, en het meeste onderzoek, zeker hier in het Verenigd Koninkrijk, wordt gefinancierd door instanties als de NIHR (National Institute for Health Research) en de Wellcome Trust. Het geld en de interesse zijn er al, hoeveel meer kunnen we nog doen?

Onderwijs

Het tweede probleem waar Jansen de aandacht op richt is de rol van taalbeheersing in het schoolvak Nederlands. Dit is een leed dat hier op Neerlandistiek ook regelmatig aandacht krijgt. Jansen pleit, in navolging van de meesterschapsteams Nederlands, voor een invulling van het vak waarbij kennis en niet vaardigheden weer voorop staat. Een uitgelezen kans voor de Taalbeheersing, niet alleen om te zorgen dat de kennis die geleerd wordt ook wetenschappelijk gedragen wordt, maar bovendien om mede te bepalen welke kennis relevant is.

Jansen legt voor dit punt de nadruk op mensen met een taalachterstand, de kwetsbaren in de samenleving. Dit zal, met wat ik eerder zei over zijn eigen onderzoek, niet als een verrassing komen. Wie taalvaardig is, heeft het eenvoudiger in de maatschappij. Of het nu gaat om informatie van en interactie met de overheid, zorginstanties, of andere sociale en maatschappelijke diensten. Zoals Jansen zegt: “Nog steeds is taalvaardigheid een cruciale voorwaarde voor maatschappelijk succes.”

Je kunt je hierbij natuurlijk afvragen wat maatschappelijk succes betekent. Ik neem voor het gemak aan dat Jansen niet betoogt dat iedereen bovenaan de maatschappelijke ladder moet komen—al suggereert die metafoor van zichzelf al dat dat wel zo is—maar vooral dat ieder moet kunnen leven naar zijn kunnen of, om het in D66-taal te zeggen, de eigen kracht van mensen moet leidend zijn voor hun succes. Taalachterstand, en taalbeheersing in bredere zin, mogen niet de reden zijn dat iemand naar de periferie van de maatschappij gedreven wordt. En dit is een aspect waar, in ieder geval binnen mijn subdiscipline, dan weer weinig tot geen aandacht voor is.

Zichtbaar

Dan tot slot. Aan het eind van zijn stuk bepleit Jansen nogmaals zijn eerste stelling, dat de primaire motivatie het oplossen van praktische communicatievraagstukken moet zijn. Maar, en dat is wat vreemd, hij merkt tevens op dat we niet adequaat zichtbaar maken hoe ons onderzoek bijdraagt. Ik vraag me nu af, zeker met het oog op punt eerdere punt over de conversatieanalyse, of het probleem niet inderdaad primair zichtbaarheid is. Als zelfs iemand als Jansen blijkbaar niet goed op de hoogte is van de praktische bijdrage van de converatieanalyse, dan zijn we te zeer naar binnen gericht. En dat geldt wellicht even goed voor andere subdisciplines.

Ligt daar niet onze zwakte: we hebben de kennis en we houden ons bezig met de juiste vraagstukken, maar we zijn gewoon niet in staat die vervolgens adequaat uit te dragen, om welke reden dan ook. De vraag is dan, hoe zorgen we ervoor dat onze kennis over de gesprekspraktijk ook terecht komt bij de juiste mensen en instanties? Dat is een vraag waar ik Jansen ook graag over zou horen.

Dit bericht is geplaatst in column, taalbeheersing met de tags , . Bookmark de permalink.

2 Responses to De toekomst van de taalbeheersing (1/n)

  1. DirkJan schreef:

    Eerste zin: met emiraat. Marc van Oostendorp keurt het goed, want de lezer weet wat ermee wordt bedoeld. 🙂

  2. Maxy Bak-Piard schreef:

    Interessant!

Reacties zijn gesloten.