De toekomst van de taalbeheersing (2/n)

Door Lucas Seuren

In het vorige deel in deze serie besprak ik het hoofdartikel van Carel Jansen (€€€) van een recente uitgave van het Tijdschrift voor Taalbeheersing, waarin hij bepleit (a) dat onderzoek primair gemotiveerd moet zijn door praktische vraagstukken en (b) dat er meer belang gehecht moet worden aan het schoolvak Nederlands. Jansen kreeg 11 reacties op dat artikel, waarvan de meeste zich richten op zijn eerste stelling. Niemand keert zich daarbij tegen het idee dat onderzoek praktisch nut kan en vaak zelfs moet hebben, maar verscheidene auteurs plaatsen wel wat kritische kanttekeningen bij de stelling. Deze zitten op grofweg twee niveaus: methodologisch en praktisch.

Methodologisch

In hun reacties geven zowel Hans Hoeken (€€€) als Jos Hornikx (€€€) aan dat veel onderzoek in de taalbeheersing weliswaar een praktische relevantie kan hebben, maar regelmatig niet direct op te zetten is met het oog op die praktische relevantie. Beide nemen het perspectief van experimenteel onderzoek, waar modellen en hypotheses aan specifieke tests worden onderworpen. Dit gebeurt in eerste instantie in een laboratoriumsetting, omdat je dan een fenomeen kan bestuderen in een soort ideale situatie, los van allerlei interfererende variabelen. Om het voorbeeld van Hornikx over te nemen: als je wilt weten of mensen gevoelig zijn voor argumentkwaliteit in een bepaalde setting, moet je weten of mensen überhaupt gevoelig zijn voor argumentkwaliteit.

En daarmee staat dergelijk onderzoek in eerste instantie ver van de praktijk. We onderzoeken fenomenen en variabelen in situaties die een lage ecologische validiteit hebben, dat wil zeggen, situaties die weinig te maken hebben met hoe mensen in het dagelijks leven met taal en andere communicatievormen in aanraking komen. Dat wil niet zeggen dat dat slecht onderzoek is natuurlijk, maar wel dat je zonder langdurig, fundamenteel onderzoek niet ver komt. Pas later kun je de koppeling met de praktijk goed maken.

Ik zou daar nog een aspect aan willen toevoegen. Voor je argumentkwaliteit kunt gaan testen in een experiment, moet je eerst bepalen wat argumentkwaliteit is: wat maakt een argument goed of slecht? Dat zal (groten)deels natuurlijk settingspecifiek zijn, maar dat maakt de noodzaak voor fundamenteel onderzoek des te groter. Je kunt niet lukraak argumenten gaan ontwikkelen en testen zonder een gedegen begrip van argumentatie en context van die argumentatie, en dat betekent dat je onderzoek nodig hebt dat zich in eerste instantie niet bezighoudt met de praktische relevantie. Die is er op termijn wel, maar die zal dus primair niet verder komen dan een lullig zinnetje over toekomstige relevantie. Het alternatief is, zoals Hoeken opmerkt, een serie losse observaties zonder theoretische diepgang of samenhang—en laat dat nou volgens een recente kritiek (€€€) een van de fundamentele problemen van de sociale wetenschappen zijn.

Praktisch

De tweede reeks kanttekeningen zit op meer praktisch niveau. Hornikx formuleert dit als volgt: “Wie bepaalt dat een aangedragen communicatief probleem belangrijk en urgent is?” We hebben in Nederland de Nationale Wetenschapsagenda die grotendeels in samenwerking met het volk is samengesteld—heeft iemand daar recent nog wat over gehoord trouwens?—maar relevantie zit natuurlijk op een veel breder niveau. Zo geeft Christoph Sauer in zijn respons (€€€) aan dat het belang van Taalbeheersing ook overdracht naar andere disciplines kan zijn: historici die documentanalyses doen zouden gebruik kunnen maken van onze onderzoeksresultaten. Is dit praktische relevantie zoals Jansen dat ziet?

Een cynisch denker zoals ik ziet hier nog twee andere kritiekpunten. De eerste is dat wetenschap niet gepoliticeerd moet worden (mijn excuses voor dit anglicisme). Het is natuurlijk goed als de organisaties die geld verstrekken inspraak hebben in wat er met het geld gebeurt, maar laten we terughoudend zijn met overheden een sturende rol geven. John Hoeks (€€€) kan bijvoorbeeld wel zeggen dat onderzoek zich moet richten op concrete vraagstukken op het gebied van bijvoorbeeld democratie en migratie, maar overheden geven veelal niet de invulling aan die begrippen die hij daar ongetwijfeld aan geeft.

Zie bijvoorbeeld hoe iemand als Viktor Orbán die concepten begrijpt. Zijn overheid, zijn samenleving, zal ons opdracht geven om mee te werken aan een oplossing die werkt in termen van militaire macht en propaganda tegen alles wat niet Judeo-Christelijk is. In de Verenigde Staten wordt ondertussen alle vrijheid onderdrukt om te praten over klimaatverandering; duurzaamheid krijgt daar een geheel andere betekenis dan Hoeks voor ogen heeft. En om het maar extra cynisch af te sluiten: een overheidsgedreven wetenschap leverde ons de atoombom en andere massavernietingswapens op.

Een tweede probleem is dat overheden traag zijn en veelal tunnelvisie hebben. Ik zal dit toelichten aan de hand van mijn eigen onderzoek. De Britse overheid en NHS hebben een Long Term Plan waarin staat dat binnen vijf jaar iedereen via een videodienst toegang moet hebben tot zijn of haar huisarts. Dit zou miljarden besparen en patiënten zouden er veel gelukkiger van worden. Of het haalbaar is, daar is volstrekt niet over nagedacht, en dat was toch wel handig geweest. Zo lieten een aantal van mijn collega’s al zien dat in de secundaire zorg veel afspraken toch echt nog in een ziekenhuis of kliniek moeten worden gevoerd. En mijn eigen studie laat zien dat er nogal wat haken en ogen zitten aan fysiek onderzoek via Skype/Facetime. Er ligt hier geen concreet vraagstuk, men veronderstelt dat de vraag al beantwoord is, maar dat blijkt een slecht ijkpunt te zijn voor de relevantie van onderzoek.

Unknown Unknowns

Met dit alles is natuurlijk niet gezegd dat praktische relevantie geen belangrijke drijfveer kan of zelfs moet zijn. Het is denk ik inderdaad de Unique Selling Point van de Taalbeheersing ten opzichte van bijvoorbeeld de Taalkunde of Literatuurwetenschap dat ons onderzoek direct toepasbare kennis kan opleveren, waarmee praktische vraagstukken opgelost kunnen worden. Maar wie denkt in praktische oplossingen beperkt zich inherent tot zijn eigen creativiteit. Hoe goed wij mensen ook zijn in het verzinnen van problemen, er zijn zoals Donald Rumsfeld dat ooit formuleerde unknown unknowns, zaken waarvan we niet weten dat we ze niet weten. We moet dus een zekere balans zijn tussen fundamenteel en toegepast onderzoek, en dat betekent dat niet alleen overheid en samenleving, maar ook wetenschappers zelf mogen bepalen wat interessant onderzoek is.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter