De schatkamer van… Jean-Marc van Tol

‘De schatkamer van…’ is een nieuwe rubriek in de DBNL-nieuwsbrief, ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van DBNL. In deze rubriek komt maandelijks een bekende DBNL-fan aan het woord, die vertelt over een schat die hij of zij uit de digitale bibliotheek heeft opgediept. Deze maand is dat Jean-Marc van Tol, neerlandicus, auteur en striptekenaar.

‘Mijn schat in de DBNL is een reeks gedichten van Constantijn Huygens uit 1681. In dat jaar overleed hofarts Willem van der Straaten en het heeft sommigen verbaasd dat Huygens, die toen al op hoge leeftijd was, drie schimpdichten schreef over het overlijden van deze arts. Ik heb ze gebruikt voor mijn historische roman Musch, het eerste deel van een trilogie over raadpensionaris Johan de Witt.

De gedichten zijn ware pareltjes:

Verstraten light hier in een’ dicke diere kist:
Wat sagh hij suer en scheel, Verstraeten, als hy ‘twist.

Mijn vertaling:

Van der Straaten ligt hier in een dure houten kist.
Wat zou hij scheel en zuur zien als hij het wist.

En:

Eens is Verstraten dood: O die hem by sijn leven
Twee drij Visitjens loon mooght schuldigh zijn gebleven:
Gaet haestigh en betaelt sijn arme kindskind af,
Soo gh’ hem sijn volle rust wilt gunnen in sijn Graf.

Dokter Van der Straaten is dood. Wee hen die hem bij leven
Het loon van twee of drie visites schuldig zijn gebleven.
Haast u en betaal met spoed zijn arme kindskind af,
Als u hem zijn volle rust wil gunnen in zijn graf.

En deze:

De Doctor Vander Straten
Heeft eens de werld verlaten;
Staet te bedencken of dit droevighe gevall
Meer dooden geven, of meer levens berghen sal.

Nu dokter Van der Straaten
Deze wereld heeft verlaten,
Blijft het de vraag of dit droevige geval
Meer doden of meer levens brengen zal.

Ik heb ze in Musch opgenomen, omdat je als je het boek gelezen hebt, meteen begrijpt waarom Huygens zo ongemeen bijtend over de gestorven arme rijke dokter schreef.

De gedichten staan in de briefwisseling van Huygens in de editie van J.A. Worp, die een schat aan informatie herbergt.  Ik heb voor mijn roman sowieso dankbaar gebruikgemaakt van DBNL, de Gouden Eeuw is daar namelijk goed vertegenwoordigd. Neem Jacob Cats, een van mijn andere hoofdpersonen. Ik heb veel Catsiana in mijn boekenkast staan, maar niet alles is antiquarisch nog te krijgen. Een proefschrift over Cats en zijn Dordtse jaren heb ik via DBNL tot mij genomen.

Toen ik Nederlands studeerde aan de UvA, begin jaren negentig, was het digitaal aanbieden van teksten net in opkomst. Dat ging toen nog via cd-roms. Dat je kon zoeken in middeleeuwse teksten op een digitale drager was iets ongelofelijks. Ik was gewend stad en land af te reizen naar allerlei bibliotheken als een boek of tekst ergens niet voorhanden was. DBNL heeft dat overbodig gemaakt. Veel literatuur kun je nu in één muisklik vinden. En door de pdf te downloaden kun je teksten heel makkelijk op woordniveau doorzoeken, zoals vroeger op zo’n cd-rom. Ik hoop dan ook dat DBNL nog jaren zal bestaan. Ook als het internet net als de cd-rom is verdwenen en verworden is tot iets heel anders.’

Jean-Marc van Tol is neerlandicus en striptekenaar.  Momenteel werkt hij met het Huygens ING aan het ontsluiten van de eerste 7000 diplomatiebrieven van Johan de Witt.

Dit bericht is geplaatst in interview met de tags . Bookmark de permalink.