De jood Ismael (1822)

Jeugdverhalen over Joden (26)

Door Ewoud Sanders

Portret van Jakob Glatz van omstreeks 1800.

Portret van Jakob Glatz van omstreeks 1800.

Herkomst en drukgeschiedenis

‘De jood Ismael’ is geschreven door Jakob Glatz (1776-1831). Glatz groeide op in Hongarije, dat toen tot het Habsburgse rijk behoorde. Tijdens zijn studie theologie schreef hij zijn eerste verhalen, gedichten en toneelstukken. Ook zette hij zich in voor de hervorming van het Hongaarse onderwijs. Vanaf 1804 woonde hij in Wenen, waar hij als Lutherse predikant in hoog aanzien stond. Zo was hij geliefd bij onder anderen de vorsten van Pruisen, Beieren en Württemberg.

Glatz schreef het verhaal ‘Der Jude Ismael’ onder het pseudoniem Heinrich Karl Gutmann. Het werd in 1808 en 1817 gepubliceerd in het Magazin von Moralischen Erzählungen für Alle Fälle der Sittenlehre.

In het Nederlands werd het onder de titel ‘De jood Ismael’ ten minste twee maal gepubliceerd: in 1822 in Keur van zedelijke verhalen; een handboek voor de jeugd zoo wel, als voor derzelver ouders en onderwijzers en in 1837 in Keur van belangrijke verhalen voor de jeugd, tot ontwikkeling van het verstand en veredeling van het hart.

Het verhaal heeft de vorm van een samenspraak. Het wordt verteld door een meisje dat Frederika heet, maar zij wordt doorlopend onderbroken door de jongens en meisjes die naar haar luisteren: zij stellen vragen of leveren commentaar.

In de samenvatting is geciteerd uit de publicatie uit 1822.

Samenvatting

Ismael is een jonge koopman. Hij is rechtschapen en vlijtig. Door zijn vader is hij opgeleid tot handelaar in onder meer stoffen en kant. Zijn vader is hier rijk mee geworden.

Ismael reist naar alle kermissen en jaarmarkten. Op een dag ziet hij langs de kant van een verlaten weg een ernstig zieke man liggen. Ismael neemt hem mee in zijn rijtuig en beveelt zijn koetsier om naar de dichtstbijzijnde stad te rijden.

‘Dat noem ik nu eens eenen goeden Jood!’ onderbreekt een van de kinderen Frederika’s relaas.

Ismael brengt de zieke man naar een herberg en laat een geneesheer komen. De ‘menschlievenden Jood’ zegt dat hij kosten noch moeite zal besparen om hem te redden. Door zijn goede zorgen knapt de man, die Kaps heet, inderdaad op. Bij zijn afscheid zegt Ismael tegen Kaps, met tranen in de ogen, dat hij hoopt dat Kaps ooit zelf een mens in nood zal kunnen redden.

Kaps is echter een meedogenloze schurk die altijd van bedelen en stelen heeft geleefd. Hij heeft gezien dat Ismael rijk is en besluit hem met een paar handlangers te beroven en te vermoorden.

De overval vindt een paar dagen later plaats. Eerst doden Kaps en zijn ‘spitsbroeders’ de bedienden van Ismael. Vervolgens slepen zij hem uit zijn rijtuig om hem ‘op de wreedaardigste wijze’ te mishandelen. Badend in zijn bloed ligt Ismael op de grond. Kaps loopt naar hem toe en schreeuwt in zijn oor: ‘Jood! Ik ben die, dien gij gered hebt!’

‘Uw God vergeve het u, gelijk ik u vergeef’, zegt Ismael met een zwakke stem.

De boeven laten hem voor dood achter. Een paar uur later wordt Ismael gevonden door een ‘arme daglooner’. Die verbindt hem en draagt hem op zijn rug naar zijn hut. De dorpsarts weet Ismael nog even bij kennis te brengen, maar een paar dagen later bezwijkt hij alsnog aan zijn verwondingen. De dagloner en zijn vrouw begraven Ismael in hun tuin.

Als zij Ismaels jas doorzoeken, vinden zij in een verborgen zak honderd dukaten. Zij houden slechts de helft van het geld. De rest geven zij aan de armen. En ze betalen de dorpsarts.

Kaps vindt geen rust. Hij pleegt de ene na de andere misdaad. Totdat hij uiteindelijk ‘door ziekte en gewetensangst als verteerd (…) op jammerlijke wijze den geest gaf’.

De ouders van Ismael zijn zo gebroken door de dood van hun enige kind, dat ook zij spoedig sterven.

De dagloner en zijn vrouw denken nog vaak aan Ismael. Vooral als zij in hun tuin bij het rozenboompje staan dat zij op zijn graf hebben geplaatst.

Receptie

Ik vond twee besprekingen, beide niet van dit specifieke verhaal, maar van de verhalenbundel Keur van zedelijke verhalen als geheel.

‘Deze Verhalen (…)’, aldus het Letterkundig magazijn van wetenschap, kunst en smaak in 1822, ‘komen ons als zeer geschikt voor de jeugd voor, en wij kunnen dus dit Werkje, als een Leesboek voor dezelve aanprijzen, vooral wanneer ouders en onderwijzers de kinderen er over ondervragen, en dezelve opmerkzaam maken, om de gebreken, die er in worden geteekend, te vermijden, en hen daarentegen de deugden, welke men er in vindt afgeschetst, leeren navolgen. De vertaling is niet vrij van gebreken en germanismen; de correctie heeft hare feilen, en de platen voldoen ons niet.’

En in 1825 oordeelde het tijdschrift Boekzaal der geleerde wereld: ‘Er komen vele lieve en nuttige verhalen in dit bundeltje voor, welke de kinderen gaarne lezen zullen, en men hun gerustelijk aanprijzen kan.’

 

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter