De geit heeft last van z’n/d’r uier: horen dieren bij de mensen of bij de dingen?

Door Henk Wolf

Ik vermoed dat vrijwel alle Nederlandstaligen naar Mark Rutte verwijzen met de voornaamwoorden hij, ie, hem, ‘m, zijn, z’n. En ik vermoed ook dat zo goed als al die Nederlandstaligen naar Angela Merkel verwijzen met de voornaamwoorden zij, ze, haar, ‘r, haar, d’r.

Voor mannelijke referenten gebruiken we dus andere voornaamwoorden dan voor vrouwelijke. Dat is in elk geval waar bij mensen. Maar ik geloof niet dat er veel Nederlandstaligen zijn die dat onderscheid toepassen op planten: is een mannelijke wilg hij en een vrouwelijke wilg zij? Waarschijnlijk niet. Naar planten wordt in het zuiden van het taalgebied meestal verwezen met hun grammaticale (woord)geslacht en in het noorden met hij. Wat dat betreft worden planten net zo behandeld als dingen.

Bezieldheidsschaal

Maar dan de dieren. Dat is een groep die op de zogenaamde bezieldheidsschaal tussen de mensen en de planten in zit. Die bezieldheidsschaal is een indeling van alles om ons heen op basis van hoezeer het op mensen lijkt. Die mensen staan bovenaan, dan komen dieren die op mensen lijken, dan dieren die minder op mensen lijken, dan planten, dan dode dingen, dan abstracte woorden zoals duisternis. Dat is grofweg, trouwens. Je ziet die bezieldheidsschaal in veel talen terug. In het Nederlands ook. Wat voornaamwoorden betreft sluiten de dieren zich namelijk bij sommige sprekers aan bij de mensen en bij andere sprekers bij de planten en de dingen.

Jenny Audring van de Universiteit Leiden heeft uitgebreid onderzoek gedaan naar de manier waarop Nederlandstaligen uit de Randstad hun voornaamwoorden gebruiken. Ik heb haar gevraagd welk patroon ze bij dieren tegenkwam. Het bleek dat de overgrote meerderheid van de sprekers in haar onderzoekscorpus naar dieren verwees met de voornaamwoorden die we ook voor mannen gebruiken: hij, z’n enzovoort. Het biologisch geslacht speelde daarbij geen rol. Wat dat betreft worden dieren dus over één kam geschoren met planten en dingen. Jenny vertelde dat ze ongeveer vijftig zinnen heeft gevonden waarin met een voornaamwoord naar een dier werd verwezen: maar twee keer werd er een ‘vrouwelijk’ voornaamwoord voor gebruikt, tegen zo’n vijftig keer een ‘mannelijk’. Bij die ‘mannelijke’ verwijzingen zaten er ook naar duidelijk vrouwelijke dieren.

Dat is trouwens ook mijn eigen ervaring, maar ik weet dat er Nederlanders zijn die het anders doen. In mijn jeugd woonde er in de buurt een aardige oude dame, ik geloof Haags van achtergrond, met hetzelfde accent als koningin Beatrix en met een hond. Naar die hond verwees ze altijd met ze en ‘r. Dat vonden wij als kinderen erg vreemd. Het klonk alsof de hond een figuurtje uit de Donald Duck was in plaats van een echte hond. Voor ons was ze en ‘r beperkt tot vrouwen en meisjes – inclusief Katrien Duck.

Norm van Taalunie en Onze Taal

De Taalunie onderkent dat er verschillen zijn in de manier waarop Nederlandstaligen met voornaamwoorden naar dieren verwijzen, maar gek genoeg is het een genormeerde kwestie. Dat het noorden van het taalgebied (ongeveer Nederland benoorden de grote rivieren, vermoed ik) ook met woorden als hij en z’n naar vrouwelijke dieren verwijst, staat op de site van de Taalunie, maar die schrijft daarover: “In verzorgde schrijftaal zijn zulke verwijsvormen niet aan te raden”.

Het Genootschap Onze Taal sluit daarbij aan. Dat schrijft: “Toch is een moederschaap en zijn lam een vreemde combinatie: het woordgeslacht botst hier te sterk met het biologische geslacht. In zulke gevallen laten we het biologische geslacht voorgaan. Een moederschaap en haar lam heeft daarom de voorkeur. Om dezelfde reden is het ook ‘Het meisje voerde stiekem haar brommer op.”

Grappig genoeg komt in Jenny Audrings prachtige boek Reinventing Pronoun Gender ook een voorbeeld voor van iemand die het door de Taalunie gepropageerde systeem gebruikt en een ander erop corrigeert. Die persoon zegt over een kip: “En dan blijft ie wel binnen de ruimtes die je ‘m geeft”. De gesprekspartner reageert daarop met: “Een kip is ze.”

Ik weet niet op welke gegevens de Taalunie en het Genootschap Onze Taal zich baseren. Misschien verdient hun norm wat aanpassing, want niet alleen in de Randstad, maar ook in het zuiden van het taalgebied en in Friesland zijn er nauwelijks mensen te vinden die het biologisch geslacht een rol laten spelen bij de keuze van de voornaamwoorden om naar dieren te verwijzen.

Het zuiden van het Nederlandse taalgebeid

In het zuiden van het taalgebied, ruwweg Vlaanderen en Nederland ten zuiden van de grote rivieren, is het wel gewoon om over een koe of een geit te praten als ze of d’r. Nou kan dat zijn omdat die beesten vrouwelijk zijn, maar ook omdat de woorden grammaticaal vrouwelijk zijn. Daar is in de literatuur wel over geschreven, onder andere door Guido Geerts. In een artikel uit de jaren zestig met de titel Hij geeft melk beschrijft Geerts dat de woorden ze en d’r zowel worden gebruikt voor grammaticaal vrouwelijke woorden als voor woorden die naar vrouwelijke personen verwijzen, maar dat dat niet geldt voor het woord zij. Dat zou vrijwel alleen worden gebruikt om over vrouwelijke personen te praten. Ook de ANS wijst erop dat zij alleen voor personen wordt gebruikt.

Volgens Geerts wordt ‘Zij geeft melk’ ook in het zuiden van het taalgebied niet van koeien gezegd. Dat wijst erop dat de koe en de geit daar niet op één lijn met mensen worden geplaatst, maar dat een koe of een geit er ze wordt genoemd, zoals ook de tafel er ze is: omdat die woorden grammaticaal vrouwelijk zijn. Ook in het zuiden word er naar dieren blijkbaar op dezelfde manier verwezen als naar planten en dingen.

Friesland

In het Fries horen dieren wat voornaamwoordelijke verwijzing betreft vanouds vaker bij de planten en de dingen dan bij de mensen. In het Woordenboek der Friese Taal staat by liif (‘baarmoeder’) als voorbeeldzin: ‘Hy hat it liif ôfskood (fan ko)’ (‘hij heeft de baarmoeder afgeschoven (van koe)’ = hij heeft z’n baarmoeder eruit hangen). En de Grammatica Fries van Jan Popkema zegt: “Hoewel vrouwelijke dieren normaliter met hy worden aangeduid, komt toch ook verwijzing met hja/sy voor.”

Dat lijkt overigens bij de jongste generatie te veranderen. Mijn collega Aant Mulder heeft een tijdje geleden een column geschreven over het opkomen van vrouwelijke voornaamwoorden voor dieren in het Fries van jongeren. Hij merkte op dat z’n kleinkinderen de kat sy noemde en verbaasde zich erover. De column staat hier.

Ik heb via Facebook maar eens wat kennissen gevraagd wat zij zeiden. Er waren wel wat mensen die dieren wat voornaamwoorden betreft als mensen behandelden, maar die waren in de minderheid. Zeker de Friezen gebruikten bijna allemaal hij, hem, z’n en meer van die ‘mannelijke’ woorden voor alle dieren, ongeacht hun biologisch geslacht. Iemand gaf als illustratie dat geit Klaas ‘last van z’n uier had’ en een oud-veearts vertelde in het Fries wat het betekende als een koe liboaitsk is: ‘dan hat er in fersakking fan ‘e baarmoeder’. De Friezen gebruikten in hun Fries en in hun Nederlands steeds hetzelfde systeem van voornaamwoordelijke verwijzing.

Dat dieren soms één groep met voorwerpen vormen in het Fries en het Friese Nederlands, wordt misschien ook wel geïllustreerd door het gebruik van ding om naar dieren te verwijzen. Ik hoorde laatst een oude Friese dame (in het Nederlands) over een aangereden kat zeggen: “Nou is het een raar ding” (een verminkte kat). Ik kan me ook voorstellen dat, als bijvoorbeeld de kippen ontsnapt zijn, ik zou zeggen: “Waar zijn die dingen?”. Het Woordenboek der Friese Taal noemt ook als een van de betekenissen van ding ‘huisdier’.

Met dank aan Jenny Audring voor haar gegevens en de uitgebreide toelichting.

 

Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags , , . Bookmark de permalink.

10 reacties op De geit heeft last van z’n/d’r uier: horen dieren bij de mensen of bij de dingen?

  1. Rob Alberts schreef:

    Met interesse gelezen

    Vriendelijke groet,

  2. Dat laatste argument is mogelijk niet zo sterk: zowel mannen als vrouwen kunnen ook als “lekker ding” omschreven worden

    • Henk Wolf schreef:

      Dat is waar, Ton, maar dat is een sterk gelexicaliseerde collocatie, terwijl ‘ding’ in het Fries tamelijk vrij met willekeurige bijvoeglijke bepalingen kan worden gecombineerd. Ik vind in het WFT ‘in skoatich ding’ (een fors ding), ‘in edel ding’ (een edel ding) en in de praktijkvoorbeelden hierboven ‘in raar ding’ (een raar/akelig ding). Het is natuurlijk geen keihard bewijs, ‘in ding’ heeft in het Fries bijvoorbeeld soms ook bijna een voornaamwoordelijk karakter en er is natuurlijk het risico dat ik een metafoor te letterlijk neem, maar ik kan ook niet helemaal uitsluiten dat de grote combinatorische vrijheid van ‘ding’ in de bedoelde betekenis iets van een semantische categorisering weerspiegelt.

  3. Rob Duijf schreef:

    “Een kip is ze.”

    Tja. Een kip is een hoendersoort. Een vrouwtjeskip is een ‘hen’, een mannetjeskip een ‘haan’…

    • DirkJan schreef:

      Een kip kan verwijzen naar de hoendersoort, maar in het algemeen spraakverkeer en ook volgens de Van Dale, is een kip vooral het wijfje van de hoen. En in beide gevallen labelt Van Dale het woord als vrouwelijk, dus “Een kip is ze”.

  4. DirkJan schreef:

    “In mijn jeugd woonde er in de buurt een aardige oude dame, ik geloof Haags van achtergrond, met hetzelfde accent als koningin Beatrix en met een hond. Naar die hond verwees ze altijd met ze en ‘r. Dat vonden wij als kinderen erg vreemd. Het klonk alsof de hond een figuurtje uit de Donald Duck was in plaats van een echte hond. Voor ons was ze en ‘r beperkt tot vrouwen en meisjes – inclusief Katrien Duck.”

    Hm. Misschien iets typisch Fries, want ik uit de Randstad zou dat helemaal niet vreemd hebben gevonden. Haar hond was dan een vrouwtje, logisch dus Je weet toch doorgaans altijd of je huisdier (hond en kat) een mannetje of een vrouwtje is? Zo geef je de dieren toch ook hun naam?

  5. Het gebruik van ‘ze’ voor huisdieren (poezen en teven) vind ik volkomen normaal, maar Ik ben dan ook ‘Haags van achtergrond’. (Niettemin, hier in Leeuwarden nog nooit ‘teruggefloten’ op dit gebied, hoor.) Maar wat ik intrigerend vind, is het onbepaald voornaamwoord dat je voor die huisdieren kiest.
    Stel de poes maakt haar entree in de huiskamer. Wat moet je dan zeggen:
    Kijk, daar komt iemand binnen!
    of
    Kijk, daar komt iets binnen!
    Het schuurt in beide gevallen, naar mijn oordeel. ‘Iets’ kan echt niet, maar ‘iemand’ klinkt eerder ironisch. Dus wat is dan het niet-ironische woord? Het antwoord kan, lijkt mij, niet anders zijn dan: ‘dat is er niet’.

    • DirkJan schreef:

      In mijn reactie ben ik ervan uitgegaan dat je weet of veronderstelt wat het geslacht van een huisdier is en pas je daar de voornaamwoorden op aan. Weet je dat niet, dan denk ik in zijn algemeenheid dat je een kat of poes (dat zijn synoniemen voor het wijfje en soortnamen, een mannetjespoes/kat heet een kater) met zij aanspreekt en een hond met hij. Een poes zie je/ik toch meer als een vrouwelijk dier en een hond als mannelijk.

    • Rob Duijf schreef:

      ‘‘Iets’ kan echt niet (…)’

      Voor mijn gevoel kun je iets wel schertsend gebruiken: ‘Alsof je het over de duvel hebt, daar komt iets binnen, hoor!’

Laat een reactie achter