Wereldtalen, moeilijke talen, uit elkaar gevallen talen en toontalen

Door Marc van Oostendorp

Nederland heeft een betrekkelijk groot aantal schrijvers over taal, maar er is maar één echte taaljournalist en dat is Gaston Dorren. Zijn nieuwe boek, Babel, is onlangs verschenen in het Engels en wordt nu volgens Dorrens website in 14 talen vertaald.

In april verschijnt de Nederlandse editie, maar ik kon niet wachten, dus ik las de Engelse.

Dorren schrijft, anders dan de meeste andere schrijvers, niet over een taal, maar over talen. Dat deed hij twintig jaar geleden al in zijn boek Nieuwe tongen, over de talen die in Nederland gesproken worden, en later in Taaltoerisme / Lingo, over de talen van Europa. In Babel is nu eindelijk de hele wereld zijn terrein en behandelt hij de twintig grootste talen, van het Vietnamees (83 miljoen sprekers) tot en met het Engels (anderhalf miljard, als we de sprekers als tweede taal meerekenen). 

Kloppen

Dorren is helder en onderhoudend – dit dit boek is geschreven in de beste stijl van het angelsaksische nonfictieboek –, en weet vooral altijd verbazingwekkend veel interessante informatie op te diepen. Ieder hoofdstuk van Babel heeft een andere invalshoek. Het hoofdstuk over het Russisch laat zien hoe je door reconstructie kunt vaststellen dat die taal in de verte verwant is aan het Engels. Het hoofdstuk over het Punjabi behandelt het verschijnsel toon – hoe je in sommige talen betekenisverschil uitdrukt door verschil in toonhoogte. Het hoofdstuk over het Vietnamees gaat vooral over Dorrens eigen min of meer mislukte poging om de taal te leren.

Babel leest daarom als een trein – ‘as a breeze’ zou Dorren zelf zeggen. Hij heeft een net andere invalshoek dan de taalwetenschapper. Een journalistiekere. Er zijn onder taalwetenschappers weinig mensen die zo’n brede blik hebben op het verschijnsel taal. Tegelijkertijd zorgt Dorren er voor zover ik kan zien voor dat zijn feiten altijd kloppen.

Gecharmeerd

En dat ze verrassend zijn. Ik heb in bijna ieder hoofdstuk wel iets opgepikt wat ik nog niet wist. Het hoofdstuk over het Maleis bevat bijvoorbeeld een interessante kijk op de vraag waarom het Portugees een wereldtaal geworden is en het Nederlands, dat in Europa net zo marginaal is en gesproken is door een volk met even grote koloniale ambities, niet. De verklaring wordt meestal gezocht in de bijzondere taalpolitiek van Nederland – veel meer bereid om andermans taal te spreken – maar Dorren heeft er een nuchtere, en mij overtuigende, kijk op: de Portugezen begonnen eerder en kolonialiseerden gebieden waar nu eenmaal weinig mensen woonden. Nederland zat uiteindelijk overwegend in Azië, dat veel meer dichtbevolkt was.

Op andere momenten is het de beeldspraak die verwast. Gebieden waar talen voortdurend met elkaar in contact zijn, vergelijkt Dorren met wasmachines die op meer dan 60 graden was: dan moeten de kledingstukken hun temperatuur wel aan elkaar afgeven.

Kinnesinne

Dorrens sterkste kant ligt bij de taalpolitiek en de geschiedenis van die taalpolitiek. Strikt taalwetenschappelijke, met name grammaticale onderwerpen, behandelt hij ook met verve, maar hij lijkt minder op te hebben met de neiging van taalkundigen om systemen te zien – hij is, als goede journalist, meer gecharmeerd van de details.

In het hoofdstuk over het Punjabi en zijn tonen bespreekt hij bijvoorbeeld kort de taalkundige discussie over de vraag of die taal nu toon heeft of pitch, en uit wat hij erover schrijft krijg je de indruk dat dit nu toch echt wel onzinnige haarkloverij is: pitch is toonhoogte, dus waar hebben we het eigenlijk over?

Die taalkundigen praten over deze kwestie omdat talen tonen op verschillende manieren kunnen inzetten. In een typische toontaal zoals het Kantonees heeft iedere lettergreep een toon, en kun je kiezen uit een rijke hoeveelheid verschillende toonbewegingen (dalend, stijgend, dalend en dan stijgend, enz.). In een typische pitch-taal zoals het Japans hoor je alleen tonen op één lettergreep per woord (zoiets als de beklemtoonde) en is de keuze min of meer tussen wel of niet zo’n toon.

Kinnesinne

Er zijn natuurlijk ook allerlei tussenvormen, dus je kunt erover discussiëren of dit nu zo’n handige classificatie is, en dat gebeurt dan ook. Bovendien is de terminologie wellicht niet zo gelukkig voor buitenstaanders, die zich uberhaupt niet hoeven te interesseren voor een verfijnd onderscheid tussen talen. Maar dat betekent in mijn ogen nog niet dat degenen die zich met deze discussie bezighouden zo naief zijn dat ze niet begrijpen dat pitch en tone nagenoeg op hetzelfde neerkomen.

Maar dat zijn allemaal details, die natuurlijk alleen maar voortkomen uit kinnesinne. Want Babel is zonder enige twijfel het beste boek over taal dat vorig jaar in het Engels verschenen is; en dat dit jaar in het Nederlands verschijnen zal.

Gaston Dorren. Babel. Around the World in 20 languages. London: Profile Books, 2018. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, recensies, taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Wereldtalen, moeilijke talen, uit elkaar gevallen talen en toontalen

  1. Rob Alberts schreef:

    Mooie leestip

    Nieuwsgierige groet,

Reacties zijn gesloten.