Was dat Caspar Barlaeus die daar van zijn paard viel?

MuiderslotDoor Ton Harmsen

Een mooie brief schrijven is een kunst. In een gesprek kan je nog bijsturen als je ziet dat je woorden niet in goede aarde vallen, in een brief moet je van meet af aan de juiste toon treffen. Ook als het over een delicate kwestie gaat. Je ontvangt een uitnodiging voor een feestelijke bijeenkomt; je bent zeer gesteld op een ontmoeting van een van de gemeenschappelijke kennissen, maar je weet niet zeker of die is uitgenodigd. Wat kan je doen? Je kan moeilijk schrijven ‘ik kom alleen als je die schitterende schoonheid met haar warmbloedige kunstenaarsnatuur uitnodigt’. Maar Barlaeus kan het! Briljant, in de juiste hoofse termen en met bescheidenheid, vriendschappelijkheid en vooral humor.

Zijn brief van 12 juni 1640 gaat als volgt. Het Latijn geef ik erbij omdat de stijl van het origineel in mijn Nederlands geen recht kan worden gedaan. Net als Tesselschade Roemers was Barlaeus al enkele jaren weduwnaar; hij heeft een reden om zijn weduwnaarschap expliciet te vermelden.

Invitas, Hoofdi nobilissime, magna nomina, Vicofortios & Coymannos, una cum uxoribus virtute ac forma eximiis. Edele Hooft, u inviteert mensen van grote naam, Wickefort en Coyman met hun knappe en deugdzame echtgenotes. His me socium adjungi vis, ut illorum splendor meae tenuitatis ac deplorandae orbitatis conspectu illustrior sit. U wenst dat ik aan hun gezelschap word toegevoegd, zodat hun schittering nog stralender is bij het aanzicht van mijn deplorabele staat die het gevolg is van mijn weduwnaarschap. Solent hoc factitare pictores: vultum deteriorem inserunt tabulae exquisitissimas formas exhibenti, & loripes Vulcanus jungitur Veneri, ut appareat ingens amantium discrimen. Het is een bekende schilderstruc: als je mooie portretten schildert doe je er als contrast een lelijkerd bij, en de liefde van de kreupele Vulcanus en de schone Venus is juist door het verschil tussen hen beiden zo’n geliefd onderwerp. Diem Jovis mensae tuae fatalem destinavere omnes, nisi grandis causa impediat. Alle genodigden hebben donderdag bestemd voor uw feest, of er moet wel een enorm bezwaar zijn. Venirem ego lubens una, nisi Dialectici & Peripatetici mei Auditores prohiberent, veritus ne malo ad pigritiam ipsis exemplo praeirem. Ik zou zelf ook graag komen, als de dialectici en peripatetici, de studenten die naar mijn college komen luisteren, het niet verhinderden. Want ik ben bang dat ik hen met mijn slechte voorbeeld aanleiding tot luiheid zou geven.

Het antwoord is dus nee, en Barlaeus gaat over op het volgende, tragische onderwerp:

Die Solis domum reversus sum à funere nobilis & eximiae matronae Catharinae Overbeequiae, quae Domino Schonckio minoris Poelgeestae Domino nupserat. Zondag ben ik thuisgekeerd na de begrafenis van de edele en hooggewaardeerde Catharina van Overbeeck, de echtgenote van Schonck, de heer van Poelgeest. Extincta est optima mater anginâ, quam ejusdem fati consors triduo post secuta est filiola unica. Die lieve moeder is aan angina gestorven, en drie dagen later heeft hun enige dochter haar daarin gevolgd. Ille calamitate tanta perculsus stupet, & num superis an mortalibus accenseri debeat, dubius haeret. Haar man is verstard, geschokt door zo een ramp en hij weet niet of hij zich tot de hemelingen moet rekenen of tot de stervelingen. Ego Sisyphi jam saxum post longas ferias volvere occoepi, & de Temperantia verba facio, cujus nomen monet, ut voluptatibus, quas Muyda profuse promittit, fruar parcius. Ik ben na een lang verlof weer begonnen het rotsblok van Sisyphus omhoog te rollen, en ik geef college over de temperantia; dat begrip waarschuwt mij spaarzaam gebruik te maken van de genoegens die Muiden rijkelijk belooft. Non est viri temperantis ejurare lepores & honesta aerumnosae hujus vitae condimenta. sed & obvias non semper amplecti, officii quoque sui esse putat. Een matig mens hoeft niet alle genoegens en eerbare kruidigheden in dit kommervolle leven af te wijzen, maar hij ziet het als zijn plicht niet elke gelegenheid tot vertier aan te grijpen.

Niet elke gelegenheid, maar Barlaeus komt nu toch even terug op de uitnodiging om naar Muiden te komen. Alias contabesco & desiderio loquendi tibi, & iis sermonibus pascendi animum, quibus per te ad sapientiam, comitatem, urbanitatem, & nullam non ὁμιλητικὴν virtutem praeformamur. Toch smelt ik van verlangen om met u te spreken, en door die conversatie mijn geest te voeden, gesprekken waardoor wij door u gevormd worden tot wijsheid, vriendelijkheid, wellevendheid en alle sociale deugden. Cuperem videre florentem hac anni tempestate acanthum, & spinosa ista moeniorum tuorum arbusta. Dolgraag zou ik de acanthus zien die in dit seizoen bloeit, en de doornige struiken langs uw muren. Attraherem odores in intima cerebri, in ipsos ventriculos spirituum animalium capsulas & focos, ubi Poëtarum animae simili aura nutriuntur. Ik zou de geuren in mijn brein willen opsnuiven, in die schatkamers waar de geesten van dichters zich voeden met zo’n soort geur.

Hij krijgt er dus steeds meer zin in, hij begint zintuiglijk naar Muiden te verlangen. En dan komt de aap uit de mouw: Si adesset Tessela, impatiens morae accurrerem, Als Tesselschade erbij zou zijn zou ik zonder aarzeling of uitstel aan komen snellen; ut aures meas coelesti harmonia permulceret coelestis femina. – opdat die hemelse vrouw mijn oren zou strelen met haar hemelse muziek.

Kortom: Hooft hoeft Tesselschade Roemers maar uit te nodigen en Barlaeus spoedt zich naar Muiden. Het is een goed opgebouwde, geestige brief, die met een omtrekkende beweging precies zijn wensen uitdrukt.

Des te grievender zal bij Barlaeus de gemene en onheuse spot van Huygens zijn aangekomen, toen Barlaeus bij stormachtig weer in Muiden niet in de boot durfde te stappen. In een gedichtje vergelijkt hij Barlaeus’ avances aan Tesselschade met die van Leander aan Hero. Leander zwemt, zoals we weten uit Ovidius’ Heroides, met gevaar voor eigen leven de Bosporus over, van Abydus naar Sestus, om bij zijn geliefde Hero te komen, terwijl Barlaeus te bang is om in een boot te stappen als het waait. Huygens richt zich tot Tesselschade Roemers, maar zijn onbeschaamde insinuaties zijn even beledigend voor haar als voor Barlaeus. Ik citeer de laatste vier verzen, let op het woord ‘nuda’ dat bij de betrokkenen een schrikreactie teweeg zal hebben gebracht. Het is ook geen vergissing, want Huygens kondigt het al aan door in het begin van het gedicht de kwestie van Ovidius en Julia aan te snijden:

.    Non si tota [sc. fax] micet, non si de littore clames
.        Blanda, veni, pretium, nuda laboris ero,
.    Non si vere novo, non si bene potus Abydo
.        Classe novâ possit solvere, Seston eat.

Ook al laat je je fakkel branden, ook al roep je vanaf de kust vleiend naar hem: ‘Kom maar, naakt zal ik de beloning voor je inspanningen zijn’; ook al wacht je tot het lente is, ook al beschikt hij over alle comfort: nooit komt hij zoals Leander van Abydos naar Sestos.

Vleiend was dat allemaal niet. Of Huygens met zijn spotzucht Barlaeus’ reputatie geschaad heeft weet ik niet, maar die zal het zeker vervelend gevonden hebben omdat uit alles blijkt dat hij zeer op Tesselschade Roemers gesteld was. Voor haar nam hij verschillende malen de trekschuit naar Alkmaar, in 1638 noemt hij haar in een brief aan Hooft clarissimam Tesselam, amoenissimi ingenii matronam, non unius laetitiae datricem, discipulam meam de bekoorlijkste dame en mijn favoriete discipel. In 1638 hebben zij samen een bijdrage geleverd aan de festiviteiten rond de ontvangst van Maria de Medici, hij heeft een aantal gedichten over haar geschreven, in het Latijn en in het Nederlands. De joyeuze professor in de filosofie, de aan alle Europese hoven vermaarde lofdichter toont zijn sympathie dus onverholen. Alleen het incident met de boottocht dat Huygens’ spotzucht wekte was een deuk in zijn reputatie.

Een jachtongeluk bij het Muiderslot

In 1994 werd de vijfhonderdste geboortedag van Maria Tesselschade Roemers Visscher herdacht met boeken, lezingen en een tentoonstelling in de UB van Amsterdam. Twee jaar later besteedde Gerrit Komrij in zijn NRC-column ‘In Liefde Bloeyende’ aandacht aan een sonnet van haar. Het zijn maar veertien regels, dus die kan ik hier wel even overtikken uit de Hollantsche Parnas van 1660. p. 504sq.:

Hollantsche Parnas 1660

Cicilia aen den jaghtsuchtigen Silvius, vers uyt
.                        de modder gehaelt.

GHy koelen herders soon van ’t sangerige choor,
Hoe komt gy soo verhit op jachtigh haese loopen,
Op wonden, moorden, en onnosel vel te stroopen;
.        Ghy kont hier volgen naeuw, en by my gingt ghy voor.

.        Eer netter tijt-verdrijf van looplust was uw spoor,
Als ghy mijn hoeder waert om wisse maet te noopen;
Daer ick uw weder in sal spooren, derf ick hoopen.
.        Ick, die u tot de staet van Opper-priester koor:

Verruylt gy nu het ampt om sulcke slechte leuren
En laet sijn stemmigheydt van ’t wilde wilt verscheuren
.        Bejaeght, in plaets van jaght, niet als een slobrich lijf?

Verwisselt met u kleedt dees slobberige sinnen,
En wilt sulck wilt niet meer, maer tammer seden minnen
.        Van godlijck zang-gesught, dat eeuwigh tijdt-verdrijf.
.                                                                TESSELSCHADE.

Komrij was een ervaren en goede lezer van gedichten, ook van zeventiende-eeuwse poëzie weet hij bewonderenswaardig veel. Maar in deze column maakt hij de ene uitglijder na de andere. Hij beroept zich op de secundaire literatuur:

Tekstbezorgers vermelden bij dit vers altijd tandenknarsend dat de ‘directe’ aanleiding onbekend is. ’t Is onmogelijk Silvius en Cicilia te identificeren. Over de datering staat ook niets vast.

Daarmee doelt hij op A.Agnes Sneller en Olga van Marion die in 1994 de gedichten van Tesselschade Roemers uitgaven. Terecht, zij het misschien wat al te voorzichtig, schrijven zij op p. 50 ‘Een mogelijke concrete aanleiding voor dit sonnet is niet bekend, evenmin kan worden vastgesteld wie met de personages Cecilia en Silvius worden bedoeld.’ Het tandenknarsen heeft Komrij erbij verzonnen, en hij weet wèl wie Silvius is: ‘Wie kan Silvius anders zijn dan P.C. Hooft?’ Ook het zangerige koor kan hij moeiteloos identificeren: ‘ ’t Sangerige choor, dat is vast de Muiderkring.’ En zijn conclusie is: ‘’t Is een anti-pastoraal gedicht’.

Allemaal meningen, en om te bewijzen dat Komrij geen gelijk heeft moet je een duur advocatenkantoor inhuren. Maar ook met enige kennis van de verhoudingen in de kring rond Hooft kom je tot heel andere conclusies. Hooft was een goede ruiter en als hij van zijn paard valt is dat een ernstig incident, geen reden tot het schrijven van een badinerend gedicht zoals dit.

Barlaeus was graag op het Muiderslot. De genoegens daar waren de tuin met geurige planten en vruchtenbomen, en het gezang van Francesca Duarte en Tesselschade Roemers. Ongetwijfeld ging Hooft ook wel eens op een paard erop uit om een haas te vangen, en daarvoor werd het gezelschap dan ook uitgenodigd. Paardrijden is voor de zeventiende-eeuwer wat autorijden voor ons is: ook mensen van wie je het niet verwacht blijken een rijbewijs te hebben. Maar Barlaeus zal met zijn paard liever langs een stille, rechte en vlakke weg hebben gelopen dan over slootjes te moeten springen met een roedel jachthonden om zich heen. Vossius ook, maar die zal zich niet hebben laten verleiden, ook niet voor een keer. Ik stel me voor dat ze tegen Barlaeus hebben gezegd: blijf toch niet altijd alleen thuis als wij op jacht gaan, ga eens een keer mee. Barlaeus gaat één keer mee. En het gevolg is dat hij van zijn paard valt en in een sloot terecht komt. Daar is natuurlijk hartelijk om gelachen. Dat de concrete aanleiding niet bekend is hoeft ons niet te verwonderen: correspondentie wordt door jan en alleman gelezen en gekopieerd, dus Hooft kan moeilijk aan zijn zwager Baeck schrijven ‘we hebben zo gelachen, Barlaeus probeerde mee op konijnenjacht te gaan maar de sukkel is in een sloot gevallen.’ De enige die zich dat kan permitteren is Tesselschade Roemers, maar natuurlijk zonder man en paard te noemen. Komrij’s conclusie dat het gedicht anti-pastoraal is, dat de herder volgens Tesselschade Roemers minder is dan de dichter, is dus onjuist: het is geen kritiek op het jagen in het algemeen – een konijnenbout is een aantrekkelijke bijdrage aan de maaltijd. Zij doelt hier uitsluitend op Barlaeus, haar leermeester in de poëzie die tijdens het jachtpartijtje niet mee had kunnen komen. Zij omschrijft hem als de zoon van het zangerige koor, dat is heus niet de zoon van de Muiderkring zoals Komrij denkt, maar de zoon van het chorus Musarum – de Zanggodinnen  zoals Vondel de Muzen noemt. Het is een incident: u kon hier niet goed meekomen (jagen is niets voor u) en bij mij was u de voorganger, ja zelfs de opperpriester (ik ben uw discipel).

Waren Sneller en Van Marion maar wat minder voorzichtig geweest in hun annotaties bij dit gedicht, dan zou Komrij dit niet allemaal hebben kunnen verzinnen. Komrij heeft wel één punt: ‘’t Is een propvol gedicht, maar het ontspoort nooit.’ Het is gewoon een hartstikke goed gedicht, met verve en met liefde geschreven, en met de spottende ondertoon die Barlaeus met zijn roekeloze optreden verdiend had. Briljant, in de juiste hoofse termen en met bescheidenheid, vriendschappelijkheid en vooral humor.

De brieven van Barlaeus zijn te vinden op de Heinsius-site evenals het gedicht van Huygens, het gedicht van Tesselschade Roemers (ed. Sneller & Van Marion) bij de DBNL en het proza van Komrij op de website van de NRC.
Met dank aan Jeanine de Landtsheer voor het oplossen van een fout van Brandt in zijn editie van Barlaeus’ Epistolae (1667): ‘veriti’ lees ‘veritus’. Ook te verbeteren bij Van Tricht, De briefwisseling van Pieter Corneliszoon Hooft, derde deel p. 250.

Dit bericht is geplaatst in column, gedicht, letterkunde, websites met de tags , , , . Bookmark de permalink.

6 reacties op Was dat Caspar Barlaeus die daar van zijn paard viel?

  1. M. Helder schreef:

    Leuk artikel, en een overtuigend verhaal. Op één ding na.
    Met ‘bij mij was u de voorganger, ja zelfs de opperpriester (ik ben uw discipel)’ wordt geïmpliceerd dat de ick in het gedicht, Cecilia, Tesselschade is. Maar een discipel kan iemand tot leraar (ver)kiezen, niet tot opperpriester, en wie hoopt iemand weer op het rechte spoor te brengen (en hem daartoe vriendelijk vermaant zoals hier), is eerder zijn meerdere dan zijn discipel. Ik denk dat het hier gaat om Cecilia de patrones van muziek en zangers.
    Nog een klein puntje: in ‘Ghy kont hier volgen naeuw, en by my gingt ghy voor’ wordt achteraankomen gecontrasteerd met voorop/vooraan gaan, en ‘voorgaan’ is ook ‘op de eerste plaats komen, boven anderen verkozen worden’ (zie WNT), wat mooi rijmt met ‘opperpriester’. ‘Voorganger’ heeft nou net geen van die twee betekenissen (alleen een associatie met ‘opperpriester’). Ik zou vertalen ‘bij mij was u de voornaamste/eerste’.

    • Anton schreef:

      ‘achteraan komen’ en ‘voorganger’ waren de woorden die ik nodig had om het verband te leggen met Apollo en Daphne. Veel dank!

    • Ton Harmsen schreef:

      Ik lees dat toch anders. Mag ik u voorgaan? betekent Mag ik uw gids zijn? In dit geval als opperpriester in de divina poesia, ‘de Goddelycke kunste der Poësie’ (om met Samuel Coster te spreken).

  2. Anton schreef:

    De grote grap die Tesselschade hier heeft uitgehaald is het omkeren van de rollen in het verhaal van de – voor een keer dolverliefde – Apollo die Daphne achterna zit. De dichteres keert ook letterlijk de posities om. Een mooie en dankbare rol schept ze voor zichzelf: van opgejaagd wild naar de superieure correctrice van de Apollinische leider die hij hoort te zijn.

    (Hetzelve anders, ik dacht het wel)

  3. Gerard van der Leeuw schreef:

    HET IS MOOI. Niet onbelangrijk dunt me: alle drie de heren (Huygens, Hooft en Barleaus) hadden een oogje op Tesselschade. Hooft gebruikt zelf Tesselschade regelmatig als ‘lokmiddel’ voor de andere heren….. `De spotlust van Huygens had een persoonlijk trekje.

Reacties zijn gesloten.