Neerlandici in creatief samenspel

Intertekstualiteit in de Van den vos Reynaerde

Door Jan de Putter

Jef Janssens laat in zijn nieuwste boek op enthousiaste wijze zien hoe Vreemd vertrouwd de Middeleeuwen voor ons zijn. Hard roept hij dat de middeleeuwse wereld niet plat was.  De cultuur van de Middeleeuwen is veel boeiender, sprankelender, diepzinniger en moderner dan wij meestal denken. Jan de Putter is het daar mee eens, maar vraagt zich wel af of we nu wel zo ver moeten gaan om Van den vos Reynaerde intertekstueel te lezen. 

Litho van B.W. Wierink met in de uitgave van Stijn Streuvels en J.W. Muller (Antiquariaat Secundus)

“Via het spel van de dichter met de voorkennis van zijn publiek bereikte de middeleeuwse literatuur een hoge graad van complexiteit en subtiliteit” (Vreemd vertrouwd, p. 64). Door bedekte toespelingen weet het publiek wat er werkelijk aan de hand is en doorziet de leugens van de dieren. Intertekstualiteit voegt een nieuwe betekenis aan de tekst toe. Het is duidelijk dat Willem in Van den vos Reynaerde verwijst naar gebeurtenissen die het publiek kende uit eerdere verhalen. Vooral wanneer de dieren op de hofdag de aanklachten tegen de vos indienen, is duidelijk dat het publiek kennis moest hebben gehad van verhalen over de vete tussen Isegrim en Reynaert. Vroeger, zo schrijft Janssens, dacht men aan mondelinge verhalen, maar nu gelooft men eerder dat Willem verwees naar verhalen uit de Franse Roman de Renart, die het publiek kende via de mysterieuze Arnout. De intertekstualiteit in de Reynaert en in middeleeuwse ridderromans overtreft de speelse verwijzingen in Shrek. In Shrek werken ze alleen op de lachspieren, in middeleeuwse romans onthullen ze een diepere betekenis (Vreemd vertrouwd, p. 69).

Shrek De intertekstuele trailer!

(Bekijk deze video op YouTube)

Het mooie aan dit populariserende boek van Jef Janssens is dat hij niet-specialisten een kijkje onder de motorkap van de Neerlandistiek gunt. Zo kunnen hele oplettende onderzoekers aan een raar krabbeltje zien in welk klooster een handschrift is vervaardigd. Hij laat  zien hoe door het geflirt met ALW, de algemene literatuurwetenschap,  er een kloof groeide tussen het brede culturele veld en het middelbaar onderwijs in het bijzonder. En hij kan ook niet nalaten zijn afkeer te laten blijken van Duinhovens methode van tekstreconstructie die in de jaren zeventig en tachtig het esthetisch genoegen in middeleeuwse literatuur vergalde. Ook met dit boek brengt Janssens het plezier in de studie van de middeleeuwse cultuur en literatuur in het bijzonder weer terug. Onverwachte perspectieven op onze hedendaagse samenleving zijn daardoor mogelijk en we kunnen kennis maken met subtiele literaire technieken.

Vorige week schreef Marc van Oostendorp een lovende bespreking van dit boek. Daarbij ging hij in op de passage waar het bovenstaande citaat uit komt. De recensent was een beetje verbaasd dat een luisterend publiek in staat was om subtiele verwijzingen naar Franse literatuur op te vangen. Was het publiek werkelijk, terwijl het aan het eten was en een goed glas dronk, bezig het verhaal intertekstueel te duiden aan de hand van verwijzingen naar andere verhalen? Het middeleeuws luisterend publiek zal toch niet naar de Reynaert geluisterd hebben, zoals een moderne poëzieliefhebber gedichten leest en herleest. Bezwaren die eerder geformuleerd zijn en telkens weer terugkeren. In dit boek en ook als in eerdere publicaties probeert Janssens een aantal van die bezwaren te weerleggen (hier, p. 68-69 en hier, p. 20 en Vreemd vertrouwd, p. 65-67). Ik wil in dit stuk enkele andere methodologische bezwaren naar voren brengen, die naar mijn mening fundamenteler zijn.

Voor zijn intertekstuele lezing van Van den vos Reynaerde is Jef Janssens mede geïnspireerd door het bekende artikel van André Bouwman, ‘Taaldaden’, dat de DBNL in 2003 opgenomen heeft in de lijst van 100 belangrijkste artikelen over de Middelnederlandse literatuur. Dat artikel is weer geïnspireerd door Janssens studie Dichter en publiek in creatief samenspel.

In de visie van Janssens had de dichter de receptie van zijn werk in ideale omstandigheden voor ogen. Door intertekstualiteit zou de auteur een extra betekenislaag in de tekst leggen die alleen te herkennen is door literaire fijnproevers. Door deze verwijzingen zou het publiek begrepen hebben, dat ook de das een gepatenteerde leugenaar is. “Intertekstualiteit is een concretisering van de auteursintentie” (Vreemd vertrouwd, p. 65 en p. 67).

Van den vos Reynaerde als een vervolg op Arnouts Reynaert

Door de invloed van onderzoekers als Jef Janssens en André Bouwman lezen we nu Reynaert vooral intertekstueel. Bouwmans artikel ‘Taaldaden’ was van grote invloed op de editie die hij samen met Besamusca bezorgde. Als we deze editie openslaan dan lezen we daar: “Een aantal van deze literaire verbindingen biedt de goede verstaander de mogelijkheid de uiteenzettingen van deze dieren beter te doorgronden.” (hier, p. 191) en “Met zijn voorkennis van dierenverhalen kan het publiek (…) interpretaties en verdraaiingen van personages in Van den vos Reynaerde evalueren”. (idem, p.192) Zo kunnen de goede verstaanders onder het publiek concluderen dat Grimbeert zijn oom probeert vrij te pleiten van met “een reeks perfide advocatentrucs” (Vreemd vertrouwd, p. 105)

Een van de advocatentrucs is hoe Grimbeert het verhaal over de viskar op een heel andere manier vertelt dan in het volgens het Franse voorbeeld gebeurd zou zijn. In de Franse versie eet Renart de palingen op. In de versie die Grimbeert vertelt in de Middelnederlandse bewerking gooit de vos pladijs naar de wolf, die alleen graten overlaat. De goede verstaanders onder het publiek dat de oorspronkelijke versie kent, kunnen op grond van deze voorkennis concluderen dat Grimbeert de waarheid geweld aandoet, besluiten zij. Janssens onderschrijft deze analyse en haalt het voorbeeld aan in zijn boek (hier, p. 5 en Vreemd vertrouwd, p. 137).

Afbeelding uit Frans handschrift van de palingdiefstal (BnF, Manuscrits, Français 12584 fol. 66)

Ik geloof dat niet. Willem ontleende volgens Janssens, en ik ben het hier met hem eens, het verhaal over de viskar aan een eerdere middelnederlandse bewerking van de Roman de Renart gemaakt door Arnout. Het is heel aannemelijk dat Arnout het verhaal anders vertelde dan in het Franse voorbeeld stond. Als het middeleeuwse publiek bekend was met de traditie zal het geconcludeerd hebben dat de auteur erin geslaagd was een bekend verhaal op een nieuwe, originele wijze te vertellen door het uit te breiden. Precies zoals zij verwachtten van middeleeuwse dichters (Vreemd vertrouwd, p.145).

Arnouts tekst heeft geen palingen maar een vissoort die in de Vlaamse kustwateren gevangen werd: pladijs. Wie het verhaal in een intertekstueel verband wil plaatsen, verandert een dergelijk detail juist niet. Dat vermindert immers de herkenbaarheid van de verwijzing. Bovendien was in de Franse versie de wolf niet betrokken bij de visdiefstal. Grimbeert heeft het over een andere gebeurtenis dan in het Franse verhaal. We kunnen niet weten of hij de waarheid geweld aandeed. Niets in de tekst of de receptie wijst erop dat Grimbeert liegt. De rol van Grimbeert is vergelijkbaar met die van Firapeel over wie Janssens schreef dat er onvoldoende grond was om dit dier als fel en onhoofs te beschouwen. (hier, p. 84-85). Als maag verdedigen beiden de eer van hun familielid.

Het verhaal van de pladijzen is natuurlijk maar een deel van de verdedigingsrede van Grimbeert en zeker niet het belangrijkste. De ernstige beschuldiging dat zijn oom de wolvin verkracht zou hebben, probeert hij te weerleggen door te spreken over een liefdesrelatie tussen Reynaert en Hersint. Hier vertelt Grimbeert in de opvatting van Janssens dan wel weer wat werkelijk gebeurd is (Vreemd vertrouwd, p.65). Ook hier weet noch het publiek noch koning Nobel wie de waarheid spreekt. In het Franse voorbeeld wil koning Noble na de aanklacht van Ysengrin, de wolf met de vos verzoenen. In de Nederlandse bewerking gebeurt iets vergelijkbaars. Daar is het Grimbert die aanstuurt op een verzoening. Dat is in de middeleeuwse situatie niet ongebruikelijk.

Janssens die ook in Vreemd vertrouwd als geen ander middeleeuwse literatuur in een culturele context weet te plaatsen, heeft het pleidooi van Grimbeert nauwelijks in een context geplaatst, ook niet de eerdere studie hierover ‘Middeleeuwse advocatentruuks’. Verwijzingen naar (rechts)historische literatuur en de meer moderne historisch antropologische benadering van conflictbeheersing ontbreken. Wat overigens typerend is voor de hedendaagse Reynaertstudie. Middeleeuwse conflictbeheersing, waar rechtsgedingen deel van uitmaakten, verliep niet volgens een vaste procedure, maar kende een grote mate van flexibiliteit. Voor een introductie van historisch antropologische benadering met voorbeelden uit de Roman de Renart lees het briljante stuk van Florian Mazel (‘L’Atelier de l’historien. Conflit et violence’, in: Historie de France 888-1180, p. 675-678).

Isegrim klaagt Reynaert aan wegens verkrachting van zijn vrouw, een misdrijf dat door de koning bestraft dient te worden met de doodstraf. Wat door de benadeelde partij als onverzoenbare misdrijven voorgesteld worden die bestraft dienen te worden met de doodstraf, werd door de verdediger van de beschuldigde vos geherdefinieerd als liefde en de aanklacht van Isegrim maakte deel uit van de vete tussen hem en Reynaert. Volgens Janssens was Reynaerts advocaat niet oprecht over de verzoeningswil van de vos (hier, p. 5). Ik denk daar anders over, want er is bewijs dat Reynaert, sinds met Pasen het nieuwe jaar is ingegaan, zich is gaan voordoen als een boetvaardige kluizenaar (hier, p. 30). Bovendien, en dat is belangrijker, moesten Reynaert en Grimbeert wel goede wil tonen: de koning kon een verzoening afdwingen, want hij had de stok achter de deur dat hij hem kon bestraffen.

Zowel in de Nederlandse als in de Franse versie wordt de weg naar een verzoening tussen Reynaert en zijn aartsvijand Isegrim afgesloten wanneer plotseling het lijk van een kip voor koning Nobel gebracht wordt. De koning besluit Reynaert voor het koninklijk gerecht te dagen voor nog een onverzoenbaar misdrijf.

Slot

Door intertekstueel lezen wordt aan een tekst een extra betekenis toegekend, die vooral toegevoegd is door eendrachtige samenwerking van neerlandici. In het verleden is het al eerder gebeurd dat door te stellen dat de Reynaert verborgen, dubbelzinnige boodschappen bevat, onderzoekers die ook gingen zien (hier, p. 35). Dat we in de vreemde middeleeuwse literatuur meer lezen dan dat we nu in de ons vertrouwde Shrek zien, voedt mijn wantrouwen. Wij kunnen namelijk geen goede verstaanders van een middeleeuwse tekst zijn: de wereld van de Reynaert is ons meer vreemd dan vertrouwd. Dat geldt zeker voor de rechtsgang.

In de tweede plaats is de Reynaert intertekstueel lezen praktisch niet mogelijk: Veel hervertellingen van de Reynaertstof moeten verloren zijn gegaan zijn, zoals de tekst van Arnout. Alleen om die reden is niet precies vast te stellen wie de waarheid spreekt en wie liegt op de hofdag. Bovendien, als dat duidelijk was dan had de vertelinstantie het aan het publiek wel duidelijk gemaakt. Elders in de tekst legt hij ook uit wanneer er gelogen wordt. Het gevaar is groot dat we door het geloof in intertekstualiteit soms lezen dat de das liegt, soms dat hij de waarheid spreekt. Bij meer lezen in de tekst dan dat er staat, is het gevaar groot dat het ten koste gaat van de consistentie van de tekst.

Dierenverhalen zijn door hun vorm vooral bedoeld om duidelijk te maken wat de auteur beschouwt als beestachtig gedrag. Jan van Boendale – en als iemand een goed verstaander geweest zal zijn dan wel deze veertiende-eeuwse schepenklerk – plaatste de verhalen over Reynaert op een lijn met de esopische fabels ( hier, p. 18 en 28). Deze verhalen leggen op een eenvoudige wijze aan de lezer het karakter van mensen uit. Dierverhalen zijn niet bestemd voor ‘de goede verstaander’, maar laten aan iedereen lieten zien hoe het werkelijk toeging in de samenleving.