Ik schrijven een strafwerk

Door Gust Gils

‘Ik schrijven een strafwerk’ verscheen voor het eerst in Gust Gils’ Geest in opdracht (1980), en is ook te vinden in Literaire Slapstick (1991). Ik ben de erven Gust Gils erkentelijk voor de toestemming de tekst van dit verhaal op neerlandistiek.nl te publiceren. (Roland de Bonth)
Lees ook De Bonths bijdrage van vandaag, met vragen over dit verhaal voor gebruik in de klas.

Het zijn lente. Ik kunnen zien hoe de zon schijnen buiten. Ik kunnen horen hoe een vogel fluiten die in een boom zitten.

Ik zitten ook liever in een boom als ik mogen kiezen maar dat kunnen ik niet want ik zitten op school. Ik krijgen straf van meester omdat ik een natte spons hebben op zijn stoel leggen en meester een natte broek bezorgen. Daarom zitten ik nu op school want ik moeten schoolblijven. Meester geven mij strafwerk. Het zijn moeilijk. Meester weten dat ik niet van spraakkunst houden, dat ik spraakkunst moeilijk vinden. Daarom juist geven hij mij een spraakkunstoefening uit het oefeningenboek als strafwerk. Zo leren gij nog wat, lachen meester, en trekken zo geen gezicht, zeggen hij, en beginnen nu maar, want eer gij die oefening af hebben komen gij hier niet buiten.

In die oefening die ik als strafwerk moeten maken, staan elk werkwoord in de noemvorm. Ik moeten dan dat werkwoord op de juiste manier vervoegen. Maar hoe kunnen ik dat nu. Hoe weten ik nu welke vervoeging de meneer die die oefening in dat boek bedenken presies bedoelen. Of moeten ik ernaar raden? Ook dat zullen wel niet de bedoeling zijn. En ik hebben maar schrik als ik teveel fouten maken dat ik dan opnieuw zullen moeten schoolblijven van meester want zo zijn hij. Daarom durven ik niets te schrijven, ik zitten hier al een kwartier maar ik schrijven nog niets, ik krijgen al meer en meer schrik. En meester merken nu ook dat ik niet schrijven.

Wel, waarom doen gij niets? vragen hij.

Ik kunnen niet meester, antwoorden ik.

Hoezo gij kunnen niet? vragen meester.

Ik vinden het te moeilijk meester, antwoorden ik.

Dat zijn flauwe kul, zeggen meester. Gij zijn alleen maar lui.

Dat zijn niet waar meester, protesteren ik, ik vinden het echt moeilijk, en ik vragen mij af waarom het moeilijk moeten als het eenvoudig ook kunnen, ik vinden dus dat die hele vervoeging overbodig zijn. Kijken eens: zoals ik die tekst nu in dat boekje kunnen lezen, met de werkwoorden niet vervoegen, zijn hij toch ook begrijpelijk? Waarom maken men het dan met opzet ingewikkelder? Die vervoeging hebben geen enkel nut. Ik willen graag een strafwerk schrijven meester, ik weten dat ik dat verdienen, maar dan graag een werk dat zin hebben als het enigszins kunnen. Vinden u dat mijn zienswijze zo onredelijk klinken?

Neen, dat vinden ik niet, zeggen meester, al geven ik toe dat ik het nog nooit zo bekijken hebben. Gij hebben gelijk, daar vallen heel wat voor te zeggen. De noemvorm van een werkwoord volstaan. De spesiale nuaanse waarmee men dat werkwoord willen gebruiken, blijken immers uit de kontekst. De waarheid komen uit een kindermond, mogen men wel zeggen.

Het zijn zo maar een idee van me meester, zeggen ik bescheiden, maar het verheugen mij toch zeer dat u mijn vizie kunnen delen.

Allicht kunnen ik dat, zeggen meester. En ik vertellen u nog meer, gij beseffen dat misschien niet, maar dat idee hebben verregaande implikasies…

Wat zijn een implikasie meester? vragen ik – maar meester zijn niet te stoppen:

Implikasies, zijn maar zeker, van psichologiese en zelfs filozofiese aard! Dit zullen onze houding tegenover de buitenwereld beïnvloeden, want het zijn ons taalgebruik dat die houding bepalen! Als ik alleen de noemvorm van werkwoorden gebruiken, veranderen mijn vizie op de werkelijkheid, dan differensiëren ik die minder, dan zullen ik als vanzelf nader zijn tot het Zijn! Daarom zeggen ik weg met de vervoeging, zij zijn antidemokraties! De vervoeging zijn een wapen in de hand van steeds dezelfde verdrukkers! De vervoeging zijn antimenselijk! Begrijpen gij wat ik bedoelen?

Zijn dat een implikasie meester? vragen ik.

Ach zwijgen, zeggen meester, natuurlijk begrijpen gij het niet. Gij zijn niet tegen de noemvorm uit overtuiging, maar omdat gij inderdaad te lui zijn om te vervoegen, zoals ik daarstraks al zeggen. En nu hebben gij genoeg praten, maken nu maar dat gij die oefening maken eer ik mijn geduld verliezen.

Meester hebben weer het laatste woord, dat zijn de gewoonte. Dus beginnen ik maar aan mijn oefening, en kunnen alleen het beste hopen.

En gij zwijgen over wat ik daarnet vertellen, zeggen meester nog. Ik maken maar een grapje, dat snappen gij wel.

Ik zullen wat gek wezen, mompelen meester terwijl hij zijn pijp aansteken. Als men de vervoeging afschaffen zitten ik zonder werk.

Wat zeggen u meester? vragen ik, want ik denken dat hij het nog tegen mij hebben.

Ik zeggen niets, snauwen meester. En zorgen gij maar dat gij niet teveel fouten maken of gij kunnen nog een keer schoolblijven. Soms denken ik dat gij u dommer houden dan gij eigenlijk zijn. Kijken maar uit kereltje, ik hebben u in de smiezen.

Hier zitten ik dan. Het zijn lente. Ik kunnen zien hoe de zon schijnen buiten. Ik kunnen horen een mus tjilpen. En ik moeten niet alleen schoolblijven, ik moeten ook nog eens een strafwerk schrijven waarvan ik niets begrijpen. Ik vinden dat zoiets niet eerlijk zijn. Maar wat kunnen ik doen.

Wacht maar meester tot ik groot en sterk zullen zijn, dan schaffen ik de vervoeging af. En dan zitten gij lekker zonder werk.