Ik kunnen niet, meester!

Door Roland de Bonth

In de Nederlandse literatuur neemt humor een belangrijke plaats in. Om deze bewering te staven, stelde uitgeverij Novella in 1991 een bloemlezing samen met humoristische verhalen van (vooraanstaande) Nederlandse auteurs. Zo treffen we er stukken in aan van onder anderen Rudy Kousbroek, Simon Carmiggelt, Bob den Uyl, Maarten Biesheuvel, Gerrit Komrij, Remco Campert en Jules Deelder. Literaire slapstick was de titel die de samenstellers aan deze verzamelbundel gaven. Een ietwat ongelukkige titel want niet alle humor is slapstick, en niet alle slapstick is humor.

Humor is een lastig begrip. Lag het publiek vroeger in een deuk bij de verhaaltjes die Godfried Bomans voorlas, tegenwoordig doen zijn voordrachten ons hoogstens enigszins glimlachen. Bovendien is humor niet alleen tijdgebonden maar ook persoonsgebonden. Wat de een bijzonder grappig vindt, is voor de ander een flauwiteit.

Helaas geldt dat voor een groot deel van de verhalen uit Literaire slapstick. Misschien waren mijn verwachtingen ook wel te hooggespannen. Schrijvers van naam én slapstick vormen niet altijd een lachwekkende combinatie. Dat wil overigens niet zeggen dat het boekje onverkwikkelijke lectuur was. Er zaten zeker verhalen tussen die de moeite van het lezen waard waren. Een mooi voorbeeld daarvan is het verhaal ‘Ik schrijven een strafwerk’ van de in elk geval op Nederlandse middelbare scholen nooit meer gelezen Antwerpse schrijver-dichter Gust Gils (1924-2002), één van de oprichters van het avant-garde tijdschrift Gard Sivik en redacteur van literaire tijdschrift Podium.

Dit verhaal, te vinden op de bladzijden 69 tot en met 72 en vandaag opnieuw gepubliceerd op Neerlandistiek, gaat over een jongetje in de basisschoolleeftijd. Hij heeft een natte spons op de stoel van de meester gelegd, waardoor deze een natte broek heeft gekregen. Meester laat dit vanzelfsprekend niet over zijn kant gaan en laat de ik nablijven – Gils spreekt over schoolblijven. Voor straf moet de deugniet “een spraakkunstoefening uit het oefeningenboek” maken. Daarmee wordt de ik-persoon dubbel gestraft want spraakkunst is niet zijn meest geliefde onderdeel van de Nederlandse taal. En het ergste is nog wel dat hij zo lang op school moet blijven, totdat het af is.

Het blijkt te gaan om een invuloefening werkwoordspelling. Bij elke zin staat de in te vullen werkwoordsvorm vermeld in de inifinitief of – in de woorden van Gils – noemvorm. De ik heeft werkelijk geen flauw idee hoe hij de gevraagde werkwoorden moet vervoegen.

Uit angst voor nog meer strafwerk als hij te veel fouten maakt, blijft de ik een kwartier lang naar de opdracht staren. De meester maant hem aan het werk te gaan, maar de ik repliceert dat de opdracht te moeilijk is. Dat vindt de meester flauwekul; hij verwijt de gestrafte luiheid, maar die ontkent dat ten stelligste.

Vervolgens ontspint zich een interessant gesprek tussen meester en leerling over nut en onnut van de werkwoordspelling. Het moge duidelijk zijn dat de strafklant weinig heil ziet in het vervoegen van werkwoorden:

“Kijken eens: zoals ik die tekst nu in dat boekje kunnen lezen, met de werkwoorden niet vervoegen, zijn hij toch ook begrijpelijk? Waarom maken men het dan met opzet ingewikkelder?’’

Dit citaat illustreert duidelijk het punt dat de leerling maakt. Ook al worden de werkwoorden hierin niet vervoegd, het argument is toch zonneklaar.

De meester moet toegeven dat hij zich wel kan vinden in deze redenering (‘’De speciale nuance waarmee men dat werkwoord willen gebruiken, blijken immers uit de kontekst’’), maar dat is voor hem niet de voornaamste reden om te pleiten voor afschaffing van de werkwoordspelling. Hij laat zich vooral leiden door de implicaties van psychologische en filosofische aard die het niet-vervoegen van werkwoorden met zich meebrengt:

‘’Die zullen onze houding tegenover de buitenwereld beïnvloeden, want het zijn ons taalgebruik dat die houding bepalen! Als ik alleen de noemvorm van werkwoorden gebruiken, veranderen mijn visie op de werkelijkheid, dan differensiëren ik die minder, dan zullen ik als vanzelf nader zijn tot het Zijn! Daarom zeggen ik weg met de vervoeging, zij zijn antidemokraties! De vervoeging zijn een wapen in de hand van steeds dezelfde verdrukkers! De vervoeging zijn antimenselijk!”

Daarmee is wat de meester betreft de kous af. Hij sommeert de ik te zwijgen en zijn strafwerk af te maken voordat hij geduld verliest. Terwijl hij zijn pijp aanstak – toen was het nog toegestaan in een klaslokaal in het bijzijn van kinderen te roken – mompelde hij:

‘’Ik zullen wat gek wezen […]. Als men de vervoeging afschaffen zitten ik zonder werk’’.

Slapstick zou ik dit verhaal niet willen noemen. En het voortdurend niet-vervoegen van de infinitief is een niet-onaardige trouvaille, maar echt humoristisch is dit procedé nu ook weer niet. Het lachwekkendst vond ik de hierboven geciteerde passage over de implicaties van het verdwijnen van de werkwoordsvervoeging.

Waarom schenk ik dan toch zo veel aandacht aan dit verhaal? Ik ben van mening dat dit korte en dus in één lesuur gemakkelijk te lezen verhaal uitermate geschikt is om er (onderzoeks)vragen en opdrachten bij te bedenken, die betrekking hebben op het gebied van de taalkunde/taalbeheersing (vraag 1 t/m 5) als de letterkunde (vraag 6 t/m 10). Enkele mogelijke vragen en opdrachten:

  1. Gils heeft de werkwoordvervoeging sterk vereenvoudigd. Om dit ingang te doen vinden zal er veel weerstand overwonnen moeten worden. Bedenk zelf een vervoeging voor het Nederlands die wel eenvoudiger maar minder rigoureus is. Laat je eventueel inspireren door andere jou bekende talen.
  2. Bedenk nog andere dan in de tekst genoemde argumenten om de werkwoordsvervoeging te laten verdwijnen of juist te versimpelen. 
  3. Het taalgebruik bepaalt onze houding tegenover de buitenwereld, zegt de meester. Bepaal eerst of je het met deze uitspraak eens bent of niet. Lees daarna deze pagina op Taalcanon.nl. Formuleer nu beredeneerd je definitieve standpunt.
  4. Het systeem van de Nederlandse werkwoordspelling is betrekkelijk eenvoudig te leren. Toch maakt (bijna) iedereen er fouten tegen. Wat vind jij daarvan? Is dat erg? Of mag je af en toe een fout maken? Bekijk nu de video Ben je slimmer als je dt-fouten maakt? Hoe kijk je nu tegen dt-fouten aan?
  5. ‘’De vervoeging zijn een wapen in de hand van steeds dezelfde verdrukkers!’’, roept de meester uit. Noem vijf voorbeelden uit de (nationale en internationale) politiek waarbij taal wordt gebruikt om de publieke opinie te beïnvloeden en leg uit hoe dat werkt. Maak hierbij van dit artikel.
  6. Het verhaal ‘Ik schrijven een strafwerk van Gust Gils is opgenomen in de verzamelbundel Literaire slapstick, die een staalkaart probeert te geven van humor in de Nederlandse literatuur. Vind jij dit verhaal humoristisch? Waarom wel, waarom niet?
  7. Selecteer uit (recente) Nederlandstalige romans vijf citaten die jij humoristisch vindt. Geef aan waarom je er om moest lachen. Gelden voor al je citaten dezelfde redenen?
  8. Niet alleen in de werkwoordspelling wijkt Gils af. In zijn verhaal komen ook enkele andere woorden voor die niet volgens de officiële spelwijze worden geschreven. Welke woorden zijn dat? Waarom kiezen mensen er bewust voor om af te wijken van de geldende norm? Wat zegt dat over de tijd waarin deze tekst is geschreven?
  9. Gust Gils was een van de oprichters van het avant-gardetijdschrift Gard Sivik. Zoek uit wie er in dit tijdschrift publiceerden en wat voor publicaties er in zijn opgenomen. Illustreer aan de hand van enkele voorbeelden wat het avant-gardistische aspect van dit tijdschrift is.
  10. Op de Wikipedia-pagina van Gust Gils wordt over zijn prozawerk gezegd dat het vooral absurde humor bevat. Vind jij dat dit ook geldt voor het verhaal ‘Ik schrijven een strafwerk’? Licht je antwoord toe.

Uit deze opdrachten kunnen leerlingen zelf een keuze maken of je laat hen uit zowel de eerste vijf als de tweede vijf vragen ten minste één opdracht kiezen. De opdrachten kunnen individueel of in kleine groepen uitgevoerd worden. De resultaten kunnen schriftelijk of mondeling worden toegelicht, klassikaal of in kleine groepjes. Wie daar behoefte aan heeft, kan dit verhaal natuurlijk ook gebruiken om verhaalanalytische termen te oefenen (personages, tijd, ruimte, perspectief, thema & motieven).

Ik zullen zeggen: veel plezier.

Bron: Literaire slapstick. Humor in de Nederlandse literatuur. Amersfoort: Novella uitgeverij, 1991 [Tweedehands voor een habbekrats te koop].

Dit bericht is geplaatst in column, Neerlandistiek voor de klas met de tags , , , . Bookmark de permalink.

1 Response to Ik kunnen niet, meester!

  1. janien schreef:

    Mooimooi, die Gust Gils! Mogen ik? Ff down memory lane? Ha, ik ooit hem thuis opzoeken in Brasschaat, ergens op de Kaart daar, in een soort van boerderij?? Heeeeel lang geleden. Ik hem uitnodigen voor een schoollezing. O zoete herinnering. Hij spelen die lezing: ik hem nog een koffertje openen zien en er rare flesjes uithalen en aan de mond brengen: gekheid op een stokje. Wat zeggen ik toch!? Op een podium gedichten brengen in een parochiezaaltje te klein voor zoveel middelbare scholieren. Zeggen Gedichtendag avant la lettre. Ik zelfs verbod krijgen van schooldirectie om de grote dichter in te leiden wegens rokje te kort voor op dat podium.

Reacties zijn gesloten.