Het arme joodje (1855)

Jeugdverhalen over Joden (19)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

Illustratie uit Museum voor de jeugd (1855).

Het gedicht ‘Het arme joodje’, dat dertien coupletten van zes regels telt, is geschreven door Jan Christoffel Gewin (1808-1887). Gewin studeerde geneeskunde in Leiden maar stopte met zijn studie om schrijver te worden. Van 1852 tot 1876 was hij redacteur van De Gids. Hij vertaalde uit het Engels en Frans en schreef diverse romans en novellen, waaronder De dochter der Jodin (1862). Voor de jeugd schreef Gewin onder meer Na den schooltijd, vertellingen voor de jeugd (1861); Vertellingen voor de jeugd: proza en poezy (1862) en Heb God lief! Zedelijke verhalen voor de jeugd (1865).

‘Het arme joodje’ werd in 1855, met bijgaande illustratie, gepubliceerd in Museum voor de jeugd, een tijdschrift dat verscheen bij H.R. van Elk in Dordrecht. In 1862 werd het opgenomen in Vertellingen voor de jeugd, uitgegeven door H.A.M. Roelants in Schiedam, zonder illustratie.

Samenvatting

‘Het arme joodje’ is een stichtelijk gedicht over een jonge, joodse marskramer genaamd Lijp. Hij is net dertien geworden, woont in een stad en is de oudste van een groot gezin. Zijn vader is overleden en Lijp – een naam die ook werd gebruikt als scheldwoord voor joden – onderhoudt het gezin. Eerst was hij sjouwer, daarna is hij lucifers gaan verkopen en inmiddels verkoopt hij onder meer messen, scharen, kammetjes, zeep en eau de cologne. Lijp is een brave, vriendelijke jongen – mensen kopen graag bij hem.

Op een winterdag wordt Lijp belaagd door een ‘woeste jongens-bende’. Eerst schelden ze hem uit: ‘Gooit dien smous maar in den goot!’ Vervolgens wordt Lijp met sneeuwballen bekogeld. Hij krijgt een sneeuwbal in zijn gezicht, maar maakt zich meer zorgen over zijn handel. Uiteindelijk wordt Lijps ‘kist met goed’ geraakt, waarop hij die laat vallen. Vrijwel alles valt kapot.

Toen ging ’t slechte volkje loopen,
Juichend om dien boevenstreek,
’t Joodje stond daar bevend, bleek:
Bittre, heete tranen dropen
Langs zijn wang, maar stil, gedwee,
Nam hij, wat er restte, meê.

Lijp is uit het veld geslagen: geen handel meer betekent honger voor het gezin. Toch komt Lijp er niet het slechtst vanaf, aldus Gewin: hij heeft niets fout gedaan en hij hoeft dus niet te vrezen voor ‘God, die alles ziet’.

En toch mogt ik liever wezen
In de plaats van d’armen Lijp,
Dan een dader in ’t vergrijp.
Wroeging had hij niet te vreezen;
En voor God, die alles ziet,
Beefde ’t arme Joodje niet.

Doelgroep en receptie

Vertellingen voor de jeugd was bestemd van kinderen van zeven tot negen jaar. Van dit boek heb ik geen besprekingen kunnen vinden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.