Gedicht: Wies Moens • Toen ik als een dorstige ree

Toen ik als een dorstige ree
naar de stille meren van Uw ogen kwam,

waren mijne leden
gesneden uit het licht
dat van de melkweg
over de weiden zinkt.

Er was zacht geritsel
boven de zoete maansikkel
van Uw voorhoofd –
als van vogelen die duikelen in mos.

Donkere waterleliën
zwommen in Uw ogen,
de glimwormen in het oevergras
maakten mij bang!

Toen gij mij aanraaktet
met Uw vinger

begon ik te beven als een ster!

Ik smolt als een honigraat
in de schoot van uw hand.

Wies Moens (1898-1982)
uit: Opgangen (1921)

———————————–