Gedicht: Wies Moens • Toen ik als een dorstige ree

Toen ik als een dorstige ree
naar de stille meren van Uw ogen kwam,

waren mijne leden
gesneden uit het licht
dat van de melkweg
over de weiden zinkt.

Er was zacht geritsel
boven de zoete maansikkel
van Uw voorhoofd –
als van vogelen die duikelen in mos.

Donkere waterleliën
zwommen in Uw ogen,
de glimwormen in het oevergras
maakten mij bang!

Toen gij mij aanraaktet
met Uw vinger

begon ik te beven als een ster!

Ik smolt als een honigraat
in de schoot van uw hand.

Wies Moens (1898-1982)
uit: Opgangen (1921)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Gedicht: Wies Moens • Toen ik als een dorstige ree

  1. DirkJan schreef:

    Hoewel Wies zowel een meisjes- als jongensnaam is, ging ik ervan uit dat Wies Moens een mannelijke dichter was. Even gecheckt en jawel, een Vlaamse dichter. Maar in de eerste regel staat, “Toen ik als een dorstige ree”. Maar is een ree niet een vrouwtjeshert, zo dacht ik tenminste. Nee, een ree is een soort hert en heeft betrekking op zowel een mannetje als een vrouwtje. Pas recent is de betekenis van voornamelijk een vrouwtjeshert erbij gekomen.

    https://nl.wikipedia.org/wiki/Wies_Moens

Laat een reactie achter