Gedicht: J.K. Rensburg • De Grote Vloed

De Grote Vloed

Wee! – Schemering, zwoelte zonk. – De lucht werd gal
Van wolkgedreig – Voor plotse stormjacht boog
Der palmen hals als beulsprooj voor den val
Van ’t zwaard, aan hozen op spiralend toog
Bezweept van bliksems, steigerend tot den hal
Des hemels de Sahara-Zee en vloog
Zijn kom uit, water stapelend, wal op wal,
’t Ontzet Atlantis overwelvend, hoog
En honderd-muilig. – Wee! De Zee verslond
Op heuvels ’t laatste mensen-kluwen, ’t zwond
In wiling, elke angstkreet werd gesmoord
Door donders. ’t Was der goden val. Wee! – Voort
Joeg bliksem en sikloon en golfgedrang. –
Plasregen raasde veertig etmaal lang.

J.K. Rensburg (1870-1943)
uit: Japanse verzen (1903)

———————————–

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter