Gedicht: Frank van den Wijngaert • Asta Nielsen

Asta Nielsen

Een fonkelende Engel
waakte over u
bij uw geboorte.

Hij nam de Poolster van de hemel
en plantte haar
– een magies Teken –
midden op uw voorhoofd.

Dan zoefde hij driemaal rondom de luisterende Aarde
en bliksemde over de zeeën en het vasteland
de Boodschap van uw Komst.

En mannen, vrouwen, kinderen, grijsaards,
allen togen uit
bij deze wekroep van de fonkelende Engel…

Toen zij, na dagen,
eindelijk het kindje vonden met het Gesternte
midden op het voorhoofd
hebben zij u, het Wicht,
hóóg, doch zonder blijdschap opgetild.
Zij hebben niet aanbeden,
niet één woord gesproken,
maar ’t Noodlot van een gansch Geslacht
als een verschrikkelijk geschenk gelegd
aan uwe paerelmoeren kindervoetjes…

Frank van den Wijngaert (1901-1962)

.

Een enkel gedicht, als Asta Nielsen, doet inmiddels, in zijn soberder zegging, grotere conciesheid en geringer misbruik van excessieve uitdrukkingen, meer nog dan aan een figuur als Werfel, wel even aan sommige verzen van Else Lasker Schüler denken, b.v. uit den bundel Theben (1923). Maar Else Lasker Schüler is toch verfijnder genuanceerd in haar woordkeus, melodieuzer ook; ze heeft een zuiverder afgewogen, organischer gevormd rhythme; – kortom zij is veel groter dichter. Doch het pleit reeds voor Van den Wyngaert, dat de vergelijking even bij ons opkomt. Het bedoelde gedicht geeft naast het beste, waartoe deze dichter in staat is, tevens een kijk op den aard zijner tekortkomingen.
Victor E. van Vriesland

———————————–