Eéndimensionaal portret van een minor poet

Door Marc van Oostendorp

Elsbeth Etty’s biografie van de dichter en neerlandicus Willem Wilmink begint met een ontboezeming van de auteur: “Dit boek is het gevolg van een blind date.” Ze legt uit dat ze het boek is gaan schrijven omdat de uitgever Vic van de Reijt haar er tot haar verrassing om vroeg. Ze maakt duidelijk dat ze Wilmink nauwelijks gekend heeft, en dat ze weinig met hem of zijn werk op had. Of heeft.

Maar ja, de uitgever wilde nu eenmaal “geen ééndimensionaal portret maar een serieuze, integrale literaire biografie” en dan moet je kennelijk bij Etty zijn.

Ze doet in haar inleiding dan ook nog wel een beetje deftig: “De vraag die een biografie moet onderzoeken luidt altijd: wat is de relatie tussen leven en werk? In het geval van Willem Wilmink: hoe hebben zijn specifieke levensomstandigheden (…) zijn oeuvre beïnvloed?”

Opvliegendheid

Maar op die woorden volgt een boek dat mij niet anders te karakteriseren lijkt dan als een ‘ééndimensionaal portret’ (een lijn). En wel van een biografe die op zijn best weinig affiniteit heeft met haar onderwerp.

Wilminks leven kan, afgezien van zijn jeugd, waarover we niet veel te weten komen dat niet al in allerlei bronnen te vinden is, in twee stukken worden verdeeld: vóór en met Wobke, zijn tweede vrouw. Voor hij met Wobke was, was hij niet gelukkig – niet met zijn werk op het Instituut voor Neerlandistiek in Amsterdam, niet met zijn vrouw Noor, niet met zijn schrijverschap. Met Wobke wordt hij niet ineens dolgelukkig, maar zijn leven krijgt wel een kader, en wordt hij uiteindelijk, als hij terugverhuisd is naar Enschede, een alom geliefd man.

Nu is lijkt het karakter van Wilmink in die twee perioden ook heel verschillend in dit boek. In de Amsterdamse periode wordt hij afgeschilderd als iemand die altijd doodongelukkig van zijn werk komt, dan al zijn frustratie botviert op vrouw en kinderen, voor hij zich naar zijn studeerkamer hijst om daar liedjes voor De Stratemakeropzeeshow te tikken. In de tweede periode krijg je ook nog wel glimpen van zijn opvliegendheid, maar is dat allemaal ineens veel minder erg. Hij wordt onderdeel van een harmonieus gezin.

Nagelaten

Ik kan me niet onttrekken aan het idee dat dit komt doordat er twee verschillende bronnen zijn gebruikt: leden van een gezin die verbitterd terugkijken, tegenover een weduwe die het allemaal wél aankon. Je krijgt simpelweg twee verschillende brillen opgezet, omdat de biograaf niet de moeite heeft genomen een coherent beeld van haar held te maken.

Bovendien kun je echt niet zeggen dat in dit boek nu ‘de relatie tussen leven en werk’ aan de orde komt zoals Etty beweert. Daarvoor is de aandacht voor dat werk veel te oppervlakkig. Ja, af en toe worden een paar regels geciteerd, en over een klassieker als Ben Ali Libi wordt gememoreerd dat mensen tranen in hun ogen krijgen als ze het lezen, maar een serieuze analyse wordt nergens gemaak. Wel wordt naar aanleiding van een liedje uit de Stratemaker dat schijnbaar over zijn zoons gaat, verteld dat Willem in werkelijkheid helemaal niet zo bij de opvoeding van zijn zoons betrokken was.

Wilmink was altijd uit op erkenning als literair auteur. Over deze biografie was hij vast woedend geworden vanwege de achteloosheid waarmee met zijn werk wordt omgegaan, en de grote aandacht die uitgaat naar tamelijk onbenullige details (dat hij een tijdlang iedere avond biefstuk at) in zijn leven dat nu toch niet heel erg meeslepend was. (Omgekeerd had Etty ook kunnen uitleggen wat er literair precies ontbrak aan het werk, waaróm ze het niet de moeite waard vond daarover te schrijven; maar ook dat heeft ze nagelaten.)

Seks

Als neerlandicus kun je het boek natuurlijk ook lezen als een geschiedenis van het vak: de jaren dat Wilmink in Amsterdam waren, waren roemrucht. Hij was een assistent van Hellinga, hij maakte de democratisering mee, en de verwetenschappelijking van zijn vak, die hij afschuwelijk vond. Jaren later wilde hij om de een of andere reden ineens toch promoveren, en deed dat toen bij één van de protagonisten van die verwetenschappelijking, Hugo Verdaasdonk.

Prachtig materiaal. Helaas maakt Etty hier ook niets van. Ze lijkt vooral geobsedeerd door seks. Hoe die discussies nu precies toe gingen of zelfs wat Wilmink nu echt de hele dag deed op dat Instituut, of hoe de relatie met Verdaasdonk uiteindelijk écht was, komen we niet te weten. Wel worden we af en toe vergast op de mededeling dat deze of gene later beroemde hoogleraar neerlandistiek met die of die naar bed is gegaan, zonder dat een van beiden nu zo’n intensieve relatie met Wilmink had, en dat Hellinga zelf ook door ‘seks geobsedeerd’ werd, iets wat op geen enkele manier wordt toegelicht, maar de lezer eenvoudigweg in het gezicht geworpen.

Het platte en eendimensionale van Etty’s boek blijkt eigenlijk al uit de titel, die een rode draad in haar visie weergeeft: dat Wilmink altijd een “jongen van 11” is gebleven. Dat is zo’n vreselijk belegen cliché dat je niet begrijpt hoe iemand die dat tot rode draad kiest zelfs nog durft pretenties te hebben.

Interesse

Want wat betekent dat in vredesnaam, dat iemand altijd een jongen van 11 is gebleven? We hebben dat nu decennia over allerlei schrijvers mogen horen, allemaal kind gebleven, maar mij lijkt het eigenlijk een luie manier om te zeggen dat iemand egocentrisch is, geen verantwoordelijkheden neemt maar in een fantasiewereld leeft. Het klinkt beeldend, maar is een manier om niet te analyseren wat er echt aan de hand is. (Aan het begin gooit Etty zonder nadere toelichting de lezer ook nog even in het gezicht dat Wilmink misschien autistisch was, ook weer zonder nadere analyse of toelichting.)

Zonde, jammer. De paar keer dat er inzichtelijke dingen over Wilmink gezegd worden in deze biografie is wanneer Kees Fens of Wim Gerritsen aan het woord gelaten worden, twee letterkundigen die zich wél serieus over het oeuvre gebogen hebben. Had Vic van de Reijt nu maar zo iemand op blind date gevraagd, iemand die wél wat interesse voor deze minor poet met een gigantisch oeuvre had kunnen opbrengen. Wat een mooi boek had dat kunnen opleveren.

Elsbeth Etty. In de man zit nog een jongen. Willem Wilmink – De biografie. Amsterdam: Nijgh & Van Ditmar, 2019. Bestelinformatie bij de uitgever.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column, recensies met de tags , , . Bookmark de permalink.

14 Responses to Eéndimensionaal portret van een minor poet

  1. jandeputter schreef:

    Beste Marc,

    Het eerste wat opvalt aan je recensie is dat je veel minder positief over dit boek bent dan Hans Renders op 20 januari in “Met Het Oog op Morgen”. Maar ik denk dat je een methodologisch punt scoort wanneer je erop wijst dat gebruik maken van verschillende bronnen ook kan leiden tot een verschillend oordeel over het karakter van de hoofdpersoon.

    Je kapittelt Elsbeth Etty ook omdat zij zonder toelichting schrijft dat Hellinga geobsedeerd was door seks. Op dit punt van kritiek kan ik Etty wel te hulp snellen met wat bewijsmateriaal. Hellinga was de eerste die in de Reynaert overal verwijzingen naar seksualiteit bespeurde. Zo zou de naam van de dichter Arnout in de proloog van de Reynaert een toespeling zijn op de patroon van de hoorndragers. Deze hint zou de goede verstaanders onder het publiek duidelijk maken dat iets seksueels niet expliciet in het verhaal wordt verteld. (Google mijn bijdrage ‘Op zoek naar Arnout’, p. 35 voor nadere uitleg)

    In deel IV van ‘Het Bureau’ van Voskuil (p. 803-806) is een enorm grappige passage te vinden die dit illustreert. Fictie bewijst natuurlijk niets. Bart laat een artikel lezen aan Maarten Koning dat hij op instigatie van prof. Springvloed (=Hellinga) geschreven heeft over de Reynaert. Maarten zegt tegen zijn vrouw dat het verschrikkelijk is. “Het is allemaal seks”. Aan Bart maakt hij even later duidelijk dat hij zich niet kan voorstellen dat een tekst zoveel dubbelzinnigheden zou kunnen bevatten. Het artikel is nooit gepubliceerd.

    Door toedoen van Hellinga staat de Reynaert nog steeds bekend als een meesterwerk van dubbelzinnigheid. De interpretatie van de seksuele dubbelzinnigheden in de Reynaert, behoort volgens van Oostrom (Stemmen op Schrift, p. 482), “tot de lastigste Reynaertkwesties en varieert al naargelang persoonlijke appreciatie en waarschijnlijk ook wel dirty mind”.

    Er zijn dus wel de nodige bewijzen dat de belangstelling van Hellinga voor seks invloed had op het vakgebied en mogelijk had die belangstelling ook zijn weerslag op de verhoudingen met zijn collega’s. Ik kan me voorstellen dat ze geobsedeerdheid met seksuele dubbelzinnigheden weerstand heeft opgeroepen, ook binnen het Instituut. Al hield Hellinga zich in de jaren zestig toen Wilmink daar werkte wel bezig met een onschuldiger onderwerp.

  2. DirkJan schreef:

    De recensie in NRC van Judith Eiselin is een stuk positiever over de biografie en geeft ook een schets van Wilmink zelf en wordt duidelijker waarom en hoe Wilmink altijd dat kind was en wilde blijven. Ook in het interview van vannacht in Nooit meer slapen met Elsbeth Etty wordt een en ander in een constructiever perspectief gezet.

    https://www.nrc.nl/nieuws/2019/01/24/eigengereid-eerzuchtig-maar-wankel-a3651592

    https://www.vpro.nl/nooitmeerslapen/luister/afleveringen/2019/Januari/024.html

    (Elsbeth Etty is gevraagd door Vic van de Reijt omdat Wilmink bij zijn leven zo enthousiast over haar biografie van Henriette van Eyck was.)

    • DirkJan schreef:

      Eh, Etty schreef natuurlijk een biografie over Henriette Roland Holst.

    • Eiselin heeft het boek duidelijk en goed gelezen en een ander oordeel. Dat kan. Ik vind dat verhaal over dat elfjarige jongetje echt onverteerbaar: kitsch, een soort magisch denken, iets wat mensen elkaar een tijdlang zijn gaan napraten nadat Harry Mulisch (vermoed ik) ermee begonnen is. Het verheldert niets: hoezo zou de ene op 11-jarige leeftijd blijven steken en de ander op de leeftijd van 17?

      • DirkJan schreef:

        Nu moet ik afgaan op Etty en Eiselin, maar die leeftijd van 11 jaar is gekozen doordat dit ook de leeftijd is van Kees de Jongen van Theo Thijssen, toen Kees voortijdig van de lagere school afging. Elsbeth Etty noemt Wilmink parallel hieraan een pre-puber. Een jongen die nog helemaal beschermd en verzorgd wordt door zijn ouders, zorgeloos kan spelen en fantaseren en ook nog geen moeilijke dingen hoeft met zijn hormonen en meisjes. Ik vind het door het latere gedrag, wat ik geen roddels vind, van Willem en zijn verhouding tot vrouwen geen heel gekke conclusie en vergelijking. De titel van de biografie heet ook niet voor niets ‘In de man zit nog een jongen’.

        • Een 65-jarige man die Belgische biertjes drinkt, volwassen kinderen heeft en optreedt met een band is geen 11-jarig kind. Je kunt het voor een enorm poëtische vondst houden nadat soortgelijke dingen zijn beweerd over onder andere Harry Mulisch en Annie Schmidt, maar ik vind het kitsch.

          Stel dat iemand een boek zou schrijven waarin vol ernst wordt beweerd dat laten we zeggen Gerrit Komrij diep van binnen een vlinder was. Ik heb het idee dat iedereen dat ook potsierlijk zou vinden. Maar als je zegt dat die-en-die eigenlijk zijn hele leven een 11-jarig kind is gebleven, wordt dat gezien als een volkomen aanvaardbare manier om iemand te typeren.

          • DirkJan schreef:

            Mogelijk dat vrouwen (Elsbeth Etty en Judith Eiselin) anders tegen mannen aankijken die maar niet volwassen worden. De eerste vrouw van Wilmink verzuchtte dat ze niet de zorg voor twee, maar voor drie kinderen had.

  3. Willem Kuiper schreef:

    Of Willem Wilmink een “minor poet” was, waag ik te betwijfelen. Ik vind hem meer dan dat. Veel meer.
    Mijn persoonlijke herinneringen zijn divers. Ik heb Willem Wilmink leren kennen als docent Moderne Letterkunde UvA en ik vond zijn werkcolleges over poëzie zakelijk en stimulerend. Dankzij hem ben ik mij gaan verdiepen in vakliteratuur over dromen. Het mondeling tentamen dat ik hierover moest afleggen ging vooral over hoe de Brazilianen tijdens WK voetbal in Mexico 1970 de directe vrije schop op het doel namen. Was ook mijn schuld.
    Als collega en Spektator-redacteur ben ik onbedoeld en ongewild een nagel aan zijn doodskist geworden. Spektator, tijdschrift voor neerlandistiek, bracht destijds elke jaargang een themanummer uit, waarvoor één of meer gastredacteuren aangezocht werden. Meestal ging dat goed. Er waren wat strubbelingen met gastredacteur André Hanou rond een themanummer 18e eeuw, omdat het in die dagen verre van gemakkelijk was uit te rekenen hoeveel tijdschriftpagina’s gevuld zouden worden met kopij die vooral voor themanummers niet standaard aangeleverd werd. Maar die strubbelingen waren niets vergeleken met de frictie die ontstond bij het themanummer Jeugdliteratuur (1981-1982), waarvoor wij Willem Wilmink (samen met vakdidacticus Henk de Visser, als ik mij niet vergis) als gastredacteur aangezocht en bereid gevonden hadden. Nog vele jaren later las ik in kranten interviews hoezeer hij zich geschoffeerd voelde door de redactie van “de spektator”. Weet niet of dit incident ter sprake komt in het boek. Feit is dat op de afgesproken dag er geen kopij van betekenis op tafel lag.
    Over Hellinga en Wilmink hoorde ik van Lulofs de volgende anekdote. Wilmink vertelde Hellinga (in het bijzijn van Lulofs) dat hij een of andere professor had gebeld, waarschijnlijk voor een wetenschappelijke vraag. Wat Hellinga bezielde om te reageren zoals hij deed (als ik Lulofs mag geloven, en dat doe ik), is onduidelijk, maar hij antwoordde dat niet Wilmink die professor gebeld had, maar die professor had Wilmink gebeld (Want Wilmink was geen professor en die professor wel. Kwestie van hiërarchisch redeneren. De hoogste in rang neemt of krijgt het initiatief: jij praat niet met de koning, de koning praat met jou.). Wilmink hield stug vol dat hij gebeld had, niet die professor. Het verhaal werd mij verteld om uit te leggen dat Wilmink door zijn Tukkerse nuchterheid en naïviteit volstrekt immuun was voor de Amsterdamse machinaties, waarmee Hellinga zijn ondergeschikten meer dan eens in de tang nam.
    Om toch positief te eindigen wil ik nogmaals verklaren dat ik mij (dit is óók grappig bedoeld) de laatste leerling van Hellinga noem, ook al heb ik maar één of twee avondcolleges Codicologie bij hem gevolgd. Ik heb zijn visie op de benadering van middeleeuwse literatuur, met name de Reynaert, leren kennen dankzij de colleges van Lulofs. Hellinga probeerde zich concreet voor te stellen hoe de Reynaert voor een publiek werd voorgedragen en meende als close reader heel veel toespelingen en elleboogstoten te ontwaren, waarin gespot werd met geloof, geweld, gezag, recht(spraak) en niet op de laatste plaats seks. Ik denk dat hij daarin gelijk had. Dat is eigen aan middeleeuwse literatuur, in de Latijnse misschien nog meer dan in de volkstalige.
    Wilmink heeft als assistent van Hellinga wel degelijk iets geleerd: het besef dat een (literaire) tekst ‘commentaar’ nodig heeft om begrepen te kunnen worden. In zijn eigen bundel ‘Brief van een Verkademeisje’, waarover hij met liefde sprak, komt een jonge Duitse zangeres Conny Froboess voor, destijds wereldberoemd in West-Europa. In mijn studietijd was zij zo vergeten dat deze naam uitleg behoefde. Graag zou ik hier naar een digitale editie van deze bundel in de DBNL gelinkt hebben, maar die is er (helaas nog) niet.

    • Dank. Het verhaal over het kindernummer komt aan de orde (op p.278-279), maar alleen aan de hand van wat Wilmink erover schreef aan Mieke Smits-Veldt, namelijk dat hij ‘even denigrerend als ondeskundig commentaar’ had gekregen, en dat hij 311 gulden aan voor illustraties gemaakte clichés niet vergoed kreeg.
      Etty heeft het verder niet onderzocht, en dat is kenmerkend voor haar werkwijze, want ze beschouwt dit als ‘de druppel die de emmer deed overlopen’ en de reden waarom hij ontslag nam. Zoiets zoek je dan toch een beetje uit, zou je denken.

      Dank voor de verhalen over Hellinga. Ook die zijn interessanter dan wat Etty te bieden heeft.

      Ik bedoel met ‘minor poet’overigens niet dat hij niet belangrijk zal zijn. Wel dat zijn dichterlijke oeuvre uiteindelijk nogal klein is als je al het gelegenheidswerk ervan af haalt. Maar misschien moet je het gelegenheidswerk er ook niet vanaf halen.
      Ik was zelf indertijd eigenlijk redelijk onder de indruk van het boek van Wilmink over Hendrik de Vries. Het is een briljant voorbeeld van commentaar (en ik ben altijd dol gebleven op commentaar). Ik denk dat dit wel wat herwaardering verdient, maar ook dat is hem in dit boek niet gegund. Het gaat wat dit betreft eigenlijk alleen over de misverstanden met Verdaasdonk en Fens, het feit dat hij teksten uit eigen werk hergebruikte in het proefschrift, en de zorgen die hij zich maakte of het wel serieus genoeg werd genomen. Over wat hij nu eigenlijk in dat boek deed, word je als lezer niets wijzer.

  4. Inge Boulonois schreef:

    Ik citeer uit In de man zit nog een jongen van Etty: ‘Angststoornissen en dwangneuroses, waarschijnlijk aangeboren en versterkt door traumatische oorlogservaringen, hebben zijn ontwikkeling geblokkeerd’.
    Het zou verboden moeten worden dat letterkundigen psychologische diagnoses als angststoornis en dwangneurose stellen!

    Ik vraag me af of er niet zoiets als ethiek van biografen bestaat. Psychologen zijn sinds 1976 gehouden aan een beroepscode: ze hebben met cliënten/patiënten een vertrouwensrelatie waarin een geheimhoudingsplicht geldt. Diagnostisch duimzuigen over iemand die overleden is en die je nooit persoonlijk hebt gekend, is voor een psycholoog helemaal uit den boze.

    Waarom kan een biograaf dat zomaar doen? Dergelijke interpretaties nemen soms zeer kwalijke proporties aan. Zo meende Maaike Meijer ruim twee decennia geleden op basis van ‘nauwkeurige tekstanalyse’ dochterverkrachting te kunnen aflezen uit de poëzie van Neeltje Maria Min!

  5. Inge Boulonois schreef:

    P.S. Ik bedoel natuurlijk ethiek VOOR biografen

  6. Waarom zijn dit soort biografieën altijd zo dik? Ik ben best benieuwd naar de ‘Deze vuist’-dichter, maar om daar 552 pagina’s over door te ploegen, lijkt me een beetje overdreven. Wat er denk ik is gebeurd is dat Vic van de Rijt Wilmink heeft geselecteerd omdat hij (blijkbaar terecht) meende er subsidie bij het Letterenfonds voor te kunnen aanvragen. Dat gaat beter wanneer de beoogde biograaf ervaren en geliefd is en dan is Etty een goeie. Vervolgens wordt er een begroting ingediend en kennelijk inspireren de voorwaarden niet om een vlot geschreven levensbericht van -zeg- 150-250 pagina’s te produceren. De eisen zijn qua verkoop heel mild; je hoeft als uitgever maar een verwachte verkoop van 500 exemplaren te hebben. Maar niemand gaat zonder een speciale reden 552 pagina’s over Willem Wilmink lezen, de lengte van romans als Honderd jaar eenzaamheid. Dat hij zoop en zijn rug niet goed afdroogde zijn leuke weetjes, maar niet meer dan dat…

    Omdat het Letterenfonds indirect door alle hardwerkende Nederlanders wordt betaald, pleit ik ervoor dat er voor dit soort werk ook een korte populaire editie wordt gemaakt.

    Verder zou Etty moeten weten dat schrijven voor een groot deel een technisch vak is. Je kunt je vrouw bij wijze van spreken een blauw oog slaan en daarna een heel gevoelig liedje te schrijven op je werkkamer. Een schoolvoorbeeld is Lou Reed, die door iedereen als een grote hork wordt beschreven (‘either you like him or you know him’), maar gevoelige liedjes uit zijn mouw schudde.

  7. DirkJan schreef:

    Ik heb de biografie niet gelezen, maar ken wel een aardige anekdote van Wilmink.

    Hij werd gevraagd om teksten te schrijven voor het nieuwe kleuterprogramma De film van Ome Willem. Hij maakte een kort openingsversje:

    Deze vuist op deze vuist
    Deze vuist op deze vuist
    Deze vuist op deze vuist
    En zo klim ik naar boven

    Hij gaf de tekst aan de bedenker van het programma Aart Staartjes en zei daarbij:

    Kan ik hier wel geld voor vragen?

Reacties zijn gesloten.