De oude jood (1925)

Jeugdverhalen over Joden (22)

Door Ewoud Sanders

Herkomst en drukgeschiedenis

De oude joodse marskramer Salomo zoekt onderdak bij de dorpspredikant. De mand bevat zijn koopwaar, de bundel zijn kleren. Het onderschrift luidt: ‘Met bevende hand liet hij den klopper vallen.’ De naam van de illustrator is niet bekend.

Door wie dit verhaal is geschreven is niet bekend. Aangezien het in Frankrijk is gesitueerd, is het origineel waarschijnlijk Frans.

‘De oude jood’ verscheen in 1925 in het maandblad Voor de Lieve Kleinen, een uitgave van de gereformeerde uitgeverij J.N. Voorhoeve in Den Haag. Dit maandblad voor kinderen bestond sinds 1876 en zou (met een titelwijziging) tot 1941 blijven bestaan.

Samenvatting

Op een broeierige zomeravond in 1850 strompelt de oude joodse marskramer Salomo uitgeput het Franse landbouwdorp R. binnen. Hij is op weg naar de jaarmarkt en is hier eerder geweest. Zwaar onweer dreigt en zodra enkele dorpsjongens de marskramer zien, schreeuwen zij: ‘De Jood! Salomo, de oude Jood! Het is zijn schuld, jongens, als de hagel den oogst bederft.’ Ze bekogelen Salomo met modder.

Bij zijn jaarlijkse bezoek aan dit dorp heeft de ‘door niemand geachten Jood’ de dorpspredikant leren kennen als een vriendelijke man en daarom klopt hij bij hem aan, achtervolgd door joelende jongens.

De dochter van de dominee, Mathilde, heeft een voorliefde voor ‘de nakomelingen van Abraham’. ‘Er is een oude Jood aan de deur’, zegt Mathilde tegen haar vader, ‘en de jongens roepen hem na.’ Vanuit zijn studeerkamer heeft de dominee ‘het bedroevend straattooneel’ ook gezien en hij vraagt Salomo waar hij vannacht denkt te gaan slapen. ‘Vriendelijke menschen willen mij misschien een plaatsje in hun schuur afstaan’ , zegt ‘de oude slim; en beurtelings keek hij veelbeteekenend eerst Mathilde en dan haar vader aan, als wilde hij zeggen: Ik reken u tot die vriendelijke menschen.’

Mathilde fluistert haar vader in het oor: ‘Toe, pappie, doe het, laat hem bij ons slapen, hij is immers een Jood.’

Na overleg met moeder mag Salomo op zolder slapen. Maar eerst heeft de jonge Mathilde nog een indringend gesprek met hem. Het meisje vraagt onder meer of Salomo ‘niet erg bedroefd’ is ‘omdat zijn eigen volk den Heere Jezus gekruisigd’ heeft. En: ‘Lieve Jood, is het waar, wat de menschen zeggen, dat u den Heere Jezus niet liefhebt?’

Salomo, tot dan de vriendelijkheid zelve, reageert zeer geprikkeld; de tengere Mathilde ‘trilde van schrik’. Salomo zegt dat joden de komst van de Messias nog verwachten, maar Mathilde legt opgewonden uit dat hij zich vergist. Hierdoor ontstaat een kort twistgesprek.

Salomo: ‘Wil je soms zeggen, dat ik ook een verloren schaap ben, klein ding? Maar weet je wel, dat wij het uitverkoren volk zijn; alle anderen zijn Heidenen, en voor hen zal de Messias nimmer komen.’

Mathilde stelt hem gerust: ‘O Salomo, maar Hij is al gekomen! En u wil Hij ook in den hemel brengen. Ge moet God vragen, of Hij uw zonden vergeven wil, omdat de Heere Jezus ook voor u gestorven is. U bent al een oude man, en u zal wel gauw sterven.’

Mathilde moet nu naar bed, maar de dominee zet het gesprek voort. Dit blijft niet zonder vrucht. ‘En in het volgend jaar, toen Salomo weer door het dorp trok, kwam hij den blijden pastoriebewoners vertellen, dat de Koning der Joden nu ook zijn Zaligmaker geworden was. Twee dagen lang vertoefde hij bij zijn vrienden, die hem den weg naar den hemel gewezen hadden.’

Doelgroep en receptie

Het maandblad Voor de Lieve Kleinen was onder meer bestemd voor kinderen op de zondagsscholen, zo blijkt uit de advertenties. Van deze aflevering heb ik geen besprekingen gevonden.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter