Zadoks Kleindochter, of De Leidingen Gods met een verstooten kind (1893)

Jeugdverhalen over joden (18)

Door Ewoud Sanders

omslag van de tweede druk

Herkomst en drukgeschiedenis

Onder welke titel het Duitse origineel is verschenen en door wie dit boek is geschreven, heb ik niet kunnen achterhalen. De Nederlandse vertaling is gemaakt door Frederik Willem Adrianus Korff. Korff was werkzaam in het christelijk onderwijs in

Amsterdam en godsdienstonderwijzer bij de Ned. Hervormde Gemeente. Van 1876 tot 1925 was hij als zendeling in dienst van de ‘Nederlandsche Vereeniging voor Israël’. Daarnaast was hij bestuurslid van het ‘Kindergenootschap voor Israël’. Beide hadden tot doel joden te bekeren.

Korff vertaalde diverse verhalen over de bekering van joden, waaronder Joseph Rabinowitsch: de beweging onder de Joden in Rusland (1889) en Leidingen Gods, of Hoe eene dochter Israëls arbeidster in den wijngaard des Heeren geworden is (1899).

Zadoks Kleindochter verscheen bij uitgeverij P.J. Milborn in Nijmegen en beleefde twee drukken: in 1893 en 1896. In 1927 was het boek nog steeds leverbaar. Tussen 13-4-1938 en 7-6-1939 werd het verhaal onder de titel ‘Voor de Jeugd. Wonderlijke wegen’ in ruim zestig afleveringen als feuilleton gepubliceerd in De vriend van oud en jong; christelijk en wetenschappelijk weekblad.

In de samenvatting is geciteerd uit de tweede druk.

 Samenvatting

F.W.A. Korff (bron: Gods groote daden aan Israël, 1911, p. 186).

Dit verhaal speelt halverwege de veertiende eeuw in Maagdenburg in Duitsland. De pest, die in heel Europa heerst, heeft de stad nog niet bereikt, maar de bewoners vrezen voor hun leven. Ten zuiden van de stad ligt een gehucht dat Jodendorp wordt genoemd. Het is grotendeels bevolkt door ‘vuile schacherende bewoners’, maar tevens de woonplaats van de eerbiedwaardige joodse grijsaard Zadok. Die is zo steenrijk dat hij als geldschieter optreedt voor Duitse bisschoppen en vorsten. Anders dan de meeste andere joden, aldus de auteur, is ‘Zadok geen woekeraar; hij neemt maar den gewettigden interest en dat is recht en billijk voor God en menschen’.

Bij Zadok wonen zijn twee kleindochters: Debora en Ruth. Ze verschillen als dag en nacht. Debora is trots en materialistisch. Zij heeft blauwzwart krulhaar en ‘zwarte, fluweelen oogen’ waarmee zij ‘vurige pijlen’ kan afschieten. Zij volgt getrouw de geboden van het joodse geloof en haat christenen, die haar vader hebben vermoord. Zij noemt ze ‘de onbesnedenen’ en ‘de kinderen der duisternis’.

Ruth daarentegen is zacht, lieftallig, rank, edel, heeft goudblond haar en een ‘teeder, fijn, echt Germaansch gelaat’, met ‘liefelijke, onschuldige azuurblauwe ogen’. Bovenal wijst ‘haar zieleleven op Germaansche afkomst’, wat zou blijken uit het feit dat zij diepgravende gesprekken heeft met Zadok.

Ruth in gesprek met haar grootvader Zadok

Bij haar eerste bezoek aan Maagdenburg maakt Ruth bij toeval kennis met de knappe jonkheer Adelgothus. Die achterhaalt na veel ingewikkelde en onnodig uitgesponnen verwikkelingen waarom Zadoks kleindochters zo van elkaar verschillen: Ruth is in feite de dochter van een christelijke edelman. Haar echte naam is Mechtildis van Asseburg. Kort na haar geboorte is zij door haar vader verstoten omdat zijn geliefde vrouw in het kraambed is overleden. Vervolgens is Mechtildis door een joodse vroedvrouw (een ‘oude Jodenheks’) gekocht om te verhullen dat de échte kleindochter van Zadok door een fout van haar (een te heet bad) is overleden. Dat de kleine Mechtildis bij toeval terechtkomt bij de wijze en zachtaardige Zadok, wordt beschouwd als een ‘wonderbare genade Gods’, want hierdoor is ‘zij er voor bewaard in het starre Jodendom te worden opgeleid’.

Als dit eenmaal is ontdekt geven de jodenhatende ouders van Adelgothus hun zoon toestemming om met haar te trouwen. Kort daarvoor heeft Mechtildis zich samen met haar grootvader laten dopen.

Aan Debora legt Mechtildis uit dat zij de doop niet moet zien als afvalligheid. ‘Zie, ik ben niet afvallig geworden van den God onzer vaderen; ik heb Zijn heilig Wezen slechts beter, dieper, zaliger leeren kennen!’

Debora laat zich echter niet overtuigen. ‘Haar gestrenge, Joodsche hart kwam met de haar eigene wilde hartstochtelijkheid daartegen in verzet.’

Anti-katholicisme en erotiek

Zadoks Kleindochter, of De Leidingen Gods met een verstooten kind is een wijdlopig en warrig verteld verhaal. Toch bevat het een aantal interessante elementen.

Diverse protestantse jeugdboeken over jodenbekering bevatten kritiek op het katholicisme. Dat geldt ook voor dit boek, maar het verhaal is gesitueerd in de veertiende eeuw, twee eeuwen vóór de Reformatie. De protestantse auteur zag zich dus voor de taak gesteld om het katholieke geloof af te schilderen als het ware geloof, tegenover het starre, kansloze jodendom. Om het katholicisme niet teveel te verheerlijken, voert hij Eckehard op, de boezemvriend van de broer van Mechtildis. Eckehard is lid van het ‘Verbond der Vrienden Gods’, een geheim genootschap dat kritiek heeft op de paus en de roomse kerk. Zij streven naar ‘eene bevrijding, een zedelijke opheffing uit de onzuiverheid en duisternis van het bijgeloof’. In de zielen van de bondsleden, aldus de auteur, zijn reeds ‘heldere vonken van verlichting’ zichtbaar, ‘die echter naar Gods ondoorgrondelijk raadsbesluit eerst bijna twee eeuwen later door Maarten Luther tot eene wereldvlam zouden worden’.

Interessant is ook dat dit jeugdboek enkele flarden van lichte erotiek bevat. Dat is in jeugdverhalen over jodenbekering zelden het geval.

De eerste erotische passage heeft betrekking op de relatie tussen Mechtildis en Adelgothus. Tussen hen is letterlijk sprake van liefde op het eerste gezicht. Bij een bezoek van Mechtildis aan Maagdenburg wordt haar sluier afgerukt. De ‘jodendeern’ – een woord dat viermaal in het boek voorkomt – wordt bijna gelyncht, maar zij wordt net op tijd gered door de edele Adelgothus, hoewel die zelf ook een hekel aan joden heeft. Het fraaie gezicht van Mechtildis verwart Adelgothus: ‘Dat was geen Jodendeern, neen, en nog eens, neen! Dat kon geen nakomeling zijn van het ontaarde Israel, dat met het Kaïnsteeken rusteloos over de aarde zwerft, en een hoon en spot der volken is. “Neen, waarlijk neen!” zoo besloot Adelgothus in zijn binnenste, “geen trek van haar liefelijk gelaat herinnert aan Semietische afstamming.”’

De liefde is wederzijds: al bij een tweede ontmoeting zweren zij elkaar eeuwige trouw en omhelzen zij elkaar. ‘Schuchter deed zij zijn arm van haar hals, en fluisterde hem toe: “Ga, Adelgothus! Verlaat mij, mijn geliefde!” Nog had ’s jongelings begeerige mond hare lippen niet aangeroerd; hij wilde haar eerst voor de geheele wereld als zijne bruid erkennen.’ Hoewel het hier dus nog niet tot kussen komt, is alleen al de formulering ‘begerige mond’ ongewoon in een boekje dat bestemd was voor zondagsschoolkinderen. Bij een latere ontmoeting gaan de geliefden overigens wel degelijk iets verder: ‘De twee gelukkige jeugdige zielen gaven zich over aan de geheele uitstorting hunner gevoelens.’

Een tweede min of meer erotische passage heeft betrekking op de dartele, hartstochtelijke Debora. Zij is vurig, heeft een ‘warmbloedige kunstenaarsnatuur’ en is zich goed bewust van haar ‘schitterende schoonheid’. Als de spanningen tussen de joden en christenen in Maagdenburg toenemen (ze zullen ontaarden in een moordpartij), worden Zadok en zijn kleindochters ondergebracht in het bisschoppelijk paleis. Debora ziet dit als een kans om de door haar bitter gehate christenen te straffen: ‘In den wilden maalstroom harer opgewondenheid was haar (…) plan, om den kerkvorst door hare schoonheid te vervoeren, en in hem alle Christenen te vernederen.’ Zover komt het niet, maar het is een opmerkelijke passage.

Antisemitische stereotyperingen en fabels

Tot slot bevat dit boek een hele reeks antisemitische stereotyperingen en fabels. Hier de voornaamste:

Joden haten en beschimpen Jezus. In het boek smeden enkele boosaardige joden het volgende plan: ‘Wij moeten ons een man maken van hout; hem op den aanstaanden Vrijdag, dien het Christenvolk Goeden Vrijdag noemt, aan een kruis slaan, hem Jezus van Nazareth noemen en hem bespotten.’ Zadok verijdelt de uitvoering van dit plan.

Joden zijn zwendelaars, kruiperig, onrein en hebben geen eergevoel. Adelgothus zegt over Zadok: ‘Als alle Joden waren gelijk deze, zou ik mij, geloof ik, met het verachte volk kunnen verzoenen; maar dat verachtelijke zwendelen; dat kruipen voor uwe oogen om u achter uwen rug te vervloeken, God weet, dat ik het veracht als de pest. Die erbarmelijke schacherjoden, die geen schaamte noch eergevoel meer bezitten! die als de dieren zich laten vertrappen, om slechts de Christenen van hun geld te berooven, – o, ik haat ze als de zonde!’

Later zegt Zadok tegen de joden die christus willen bespotten: ‘Waarom maakt gij u zoo onaangenaam door uitwendige onreinheid, door kruipen en kermen? Wie zijne ziel rein houden wil, die zorgt ook voor reinheid des lichaams, en houdt zich vrij van onwaardig kruipen.’

Joden stelen christelijke kinderen om ze te offeren. Een bewoner van het Jodendorp vertelt aan Zadok: ‘Men zegt, dat wij een levend christenmensch aan het kruis genageld, en een christenkind geslacht en geofferd hebben. De kleine jongen van den schoenmaker Betmann is sinds verdwenen [sic], en de ouders moeten een belofte gedaan hebben, dat zij niet rusten zullen, voor dat hier in het Jodendorp geen steen meer op den anderen ligt.’

Joden stelen, al dan niet met behulp van tovenarij, christelijke kinderen om ze als joden op te voeden. In een gesprek over de ware afkomst van de adellijke Mechtildis zegt een christen over grootvader Zadok: ‘Wellicht heeft de oude haar gestolen, of door tooverij in zijne macht gekregen. Men heeft dikwijls gehoord, dat prinsessen, uit louter boosheid, door Joden zijn gestolen, om ze in den Joodschen godsdienst op te voeden.’

Joden hebben de pest veroorzaakt door waterbronnen te vergiftigen. Dit wordt door de auteur meermaals met nadruk ontkracht, met verwijzing naar pauselijke bullen uit de veertiende eeuw (‘de pest komt ook voor in landen waar geen joden wonen’). Vervolgens geeft hij een alternatieve maar net zo antisemitische verklaring voor het geweld tegen joden: ‘Wel had in Maagdenburg de Jodenvervolging grootendeels andere oorzaken; wel kwam de vijandschap hier voornamelijk voort uit het feit, dat de Joden door hunne listigheid aan vele eerlijke Christenen het brood ontnamen’ (lees: zij stelen onze banen).

Joden vereren geld en zijn woekeraars. Zadok, zelf een eerlijke geldschieter, maakt zich hier grote zorgen over. ‘De afgod van den Mammon heeft het hart van ons volk gevangen genomen en laat het niet weder vrij (…) Hoe vaak heb ik onzen lieden het woekeren verboden, maar zij laten zich niet gezeggen (…).’ Van joden krijgt Zadok vaak te horen: ‘Het zijn maar onbesnedenen, wier geld wij ons toeëigenen, en dat is geoorloofd.’

Zijn reactie hierop: ‘Waar staat het geschreven in de wet van Mozes, dat wij niet-Joden mogen bedriegen? Moeten wij de vreemdelingen niet eeren en liefhebben als onze eigene broeders? (…) Wee, wee, wee! zij [de joden; ES] dragen hout aan voor hunne eigene brandstapels, en zij weten en vermoeden het niet, dat het hun vreeselijk zal vergolden worden. Wij staan voor eene zwaren storm.’

Doelgroep en receptie

Volgens de Maas- en Scheldebode was dit boek geschikt voor oudere kinderen (op de zondagsscholen) en voor volwassenen. De uitgever presenteerde het in december 1896 in advertenties als een ‘feestgeschenk’.

Ik vond twee besprekingen. Het boek ‘doet ons zien hoe God in Zijne almacht en genade eene ziel door alle hindernissen en wederwaardigheden van het aardsche leven heen tot Zich kan trekken en in Zijn dienst onuitsprekelijk gelukkig [kan] maken’, oordeelde de Maas- en Scheldebode in 1893.

De Zeeuw, Christelijk-historisch nieuwsblad voor Zeeland, schreef eind 1893: ‘Een verhaal uit de te weinig bekende middeneeuwen [sic]. Een bladzijde uit de vervolging der Joden. De schrijver weet zoo aangrijpelijk te vertellen dat wij hem de exegetische ketterij die hij op bladzij 27 Ruth in den mond legt, ter wille daarvan gaarne vergeven’ (Ruth en Zadok discussiëren hier over de betekenis van psalm 137).

Het weekblad Het Oosten, uitgegeven door de drukker van dit boek, lijkt in 1907 nog een andere bespreking aan te halen, maar het zou tevens een aanbeveling van de uitgever kunnen zijn. Bij de aankondiging van een prijsverlaging staat: ‘Een goed werk deed de heer Korff, zendeling onder Israël, door dit verhaal in onze taal over te brengen. Het verplaatst ons in het Duitschland der middeleeuwen, toen het Jodendom zoozeer in verdrukking leefde en stelt den lezer op de hoogte van toestanden, die gelukkig tot het verleden behooren. Het boek is boeiend en leerzaam tevens.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter