De standaardtaal als vorm van arrogantie?

Door Peter Nieuwenhuijsen

In U als scheldwoord (het artikel in de gelijknamige bundel) schetst Marc van Oostendorp de situatie dat iemand een beetje boos wordt omdat Marc haar met ‘u’ aanspreekt. Ik word vaker geconfronteerd met iets wat je het omgekeerde zou kunnen noemen. De verwarring – ook Van Oostendorp gebruikt dit woord – is groot. Misschien helpt het als ik het kader verbreed.

Daartoe begin ik met een voorbeeld uit de multiculturele samenleving dat u vast wel herkent. Een serveerster op een terras begroet twee nieuwe gasten en vraagt:

‘Kan ik u iets te drinken brengen?’

Het komt er vlot uit, een licht accent verraadt dat Nederlands niet haar moedertaal is. Er klinkt een wedervraag:

‘Waar kom je vandaan?’

‘Uit Polen’. De serveerster studeert Nederlands in Wrocław en is hier onder meer om vlot te leren spreken. De bestelling helpt daar niet bij:

‘Two white wine.’

Ik ondervind zelf iets soortgelijks, een enkele keer, in Friesland, zij het minder pijnlijk: ik spreek Fries tegen iemand die ik net nog Fries heb horen spreken en krijg vervolgens antwoord in het Nederlands.

Ik ga een derde voorbeeld aan u voorleggen. De parallel met de voorafgaande voorbeelden zal duidelijk zijn, maar er is méér.

Een vrouw (zij is niet oud en niet jong) bekijkt zoekend de informatie op een haltepaal van bus en tram in Den Haag. Ze vindt niet wat ze zoekt en spreekt het groepje wachtenden in het algemeen toe:

‘Weet u waar lijn 13 stopt?’

Een Hagenaar geeft als eerste antwoord en ook nu klinkt een wedervraag:

‘Wamojjehein?’ (Waar moet je heen).

Ook in dit geval krijgt iemand antwoord in een andere taal dan verwacht. De regel is dat iemand die een conversatie opent, daarmee ook de taal van de conversatie bepaalt. In de drie voorbeelden hierboven wordt deze regel overtreden. Telkens hebben de deelnemers verschillende ideeën omtrent de taal van de conversatie. En nu is de gedachte die ik in dit stukje tracht te illustreren: als twee mensen die met elkaar praten, verschillend blijken te staan tegenover ‘u’ en ‘jij’, dan komt dat ook doordat zij niet dezelfde taal kiezen voor het gesprek.

Duidelijk komt dit naar voren in het voorbeeld van het Haagse stadsdialect. Mijn stelling is dat in deze variant van het Nederlands, evenals in veel andere, de beleefdheidsvorm ‘u’ niet meer voorkomt. Sinds kinderen hun directe familieleden zijn gaan tutoyeren, is voor heel wat kinderen de beleefdheidsvorm een element van de taal die ze op school wordt bijgebracht en die verschilt van hun ‘thuistaal’. (Uit een onderzoek van de ANBO bleek dat slechts 14% van de grootouders (!) door hun kleinkinderen met ‘u’ wordt aangesproken. Voor ouders moet dat percentage nog lager zijn.)

Er zijn natuurlijk al veel woorden gewijd aan het gebruik van ‘u’ in het Nederlands van Nederland. (Juist op dit punt is het Nederlands van Vlaanderen, waarin ‘u’ ook de objectsvorm van ‘gij’ is, een ander verhaal.) Twee dingen worden daarbij vaak over het hoofd gezien. Het eerste is dat niet alleen telt welke vorm (u of jij) in een conversatie wordt gebruikt, maar ook wie dit heeft bepaald. Het ‘oude’ systeem voor het gebruik van ‘u’ en ‘jij’ staat weliswaar al jaren op de helling, maar het geldt nog wel vaak op het moment dat de keus tussen beide wordt bepaald. In een enkel voorbeeld samengevat: een student kan niet tegen een hoogleraar zeggen: zullen we maar tutoyeren? Hoe belangrijk de consequenties hiervan ook zijn, ik ga er hier niet verder op in.

Het tweede punt dat over het hoofd wordt gezien, is dat er niet één Nederlands is, maar dat er naast de standaardtaal talloze varianten bestaan, waarvan het Haagse stadsdialect er één is. Deze varianten worden gebruikt in informele situaties, waaronder de thuissituatie. Waar de beleefdheidsvorm in het algemeen op zijn retour is, hoeft het geen verbazing te wekken dat de achteruitgang in deze informele varianten het verst gevorderd is, zeker nu ‘u’ ook in de thuissituatie verdwijnt.

Het is erg moeilijk om niet-standaardvarianten op zichzelf te beschouwen, omdat er een continuüm van variatie bestaat. De Hagenaar van zo-even zou kunnen zeggen:

‘Hejje auk ‘n sigretje voah me?’

Maar het valt natuurlijk niet uit te sluiten dat hij kiest voor

‘Heppu musschien ‘n sigretje voah me?’

In mijn ogen is dat laatste een variant tussen stadsdialect en standaardtaal in, in een half gelukte poging om de standaardtaal aan te boren. Dit valt niet hard te maken, maar u zult het waarschijnlijk wel met me eens zijn dat het gamma van dialect tot standaardtaal, van informeel tot formeel register, een continuüm van variatie laat zien. Welnu, dan is het ook goed voorstelbaar dat we bij het beschouwen van een aantal varianten, van puur Haags naar standaardtaal, ergens opeens de beleefdheidsvorm zien opduiken.

Laten we nu eens kijken naar de situatie waarin een gesprek wordt begonnen met beleefdheidsvormen, maar dat op zeker moment een van de gesprekspartners zegt: je mag ook wel jij zeggen hoor. Soms komt die suggestie niet goed aan.

Veel sprekers van het Nederlands noemen zichzelf eentalig. Alleen iemand die van huis uit een dialect spreekt dat echt als zodanig wordt ‘erkend’, zal wellicht zeggen dat hij tweetalig is (bijvoorbeeld Nederlands en Twents). Toch zal bij veel sprekers – bewust of onbewust – het gevoel bestaan dat zij een thuistaal hebben en dat ze ‘buiten de deur’ in meer of mindere mate overschakelen naar de standaardtaal. De suggestie om ‘jij’ te zeggen, krijgt dan een andere lading dan de echt-eentalige persoon die de suggestie doet, bedoelt. Je kunt er in lezen: je hoeft voor mij niet de moeite te nemen over te schakelen naar de standaardtaal, ik vind jouw thuistaal goed genoeg, hoor. Zoiets kán verkeerd vallen. Met andere woorden: terwijl de kwestie lijkt te zijn ‘u of jij’, is er in feite sprake van een botsing tussen twee taalvarianten.

Denk maar even terug aan een voorbeeld van daarstraks: ik spreek iemand aan in het Fries, maar krijg antwoord in het Nederlands. Hoewel vaak een ander beeld wordt geschetst, zijn er heel wat Friestaligen voor wie het Fries vooral een thuistaal is. Als ik in het Fries begin, maak ik mezelf op z’n minst tot een ongenode gast, maar het is zelfs mogelijk dat iemand erin leest: ik kom jou tegemoet door jouw moedertaal te spreken, zodat jij het niet te moeilijk hebt. Een enkele keer reageert iemand dan met een onuitgesproken: wat denkt die vent wel niet; ik spreek uiteraard moeiteloos Nederlands. Dan is het dus verkeerd gevallen.

Terug naar de variëteiten van het Nederlands. Het is bekend dat taalvarianten primaire en secundaire eigenschappen hebben. Het zou goed kunnen dat de aanwezigheid van een beleefdheidsvorm ‘u’ – naast een vertrouwelijk ‘jij’ –  voor een aantal sprekers van verschillende varianten nu juist een primaire eigenschap van de standaardtaal is. Vanaf het moment dat de taal van een conversatie bepaald is op Standaardnederlands, wil men ook de regels toepassen die onverbrekelijk bij de standaardtaal horen, inclusief het klassieke verschil tussen ‘u’ en ‘jij’.

Ik neem dan ook geregeld waar dat iemand er domweg niet in slaagt om het anders te doen. Dus: ik doe het voorstel om te tutoyeren en mijn gesprekspartner stemt in. Maar vervolgens lukt het niet; telkens valt er weer een ‘u’. Voor deze spreker maakt het deel uit van het systeem van de standaardtaal dat hij of zij een persoon zoals ik met ‘u’ aanspreekt.

In U als scheldwoord verzet iemand zich juist tegen de beleefdheidsvorm en dringt zij er met veel overtuigingskracht op aan ‘gewoon’ te tutoyeren. Maar dit ‘gesprek’ speelt zich af op Twitter. Hier heerst weer een andere niet-standaardvariant waarin ‘u’ niet voorkomt, de twittertaal. Overschakelen op de standaardtaal door ‘u’ te gebruiken is zoveel als jezelf boven het gesprek willen verheffen. Het woord ‘pedant’ valt en dat is treffend, want hierboven liet ik zien hoe tegemoetkomen aan iemands thuistaal ook als arrogant kan worden opgevat. Misschien moeten we ‘u als scheldwoord’ wel vervangen door ‘de standaardtaal als vorm van arrogantie’.

De vorm van een conversaties ondergaat invloed van verschillen tussen de gesprekspartners. Verschillen in leeftijd, status en geletterdheid. Dit kan leiden tot een verschil in taalkeuze, hetgeen zich kan manifesteren in een ‘u – jij – conflict’. Laten we ons troosten met de gedachte dat de frictie minder pijnlijk is dan in het geval van de Poolse serveerster.