De landelijke kennistoets Nederlands is een rommeltje

Door Henk Wolf

Tien jaar geleden was het theoretisch gezien mogelijk dat een studie Nederlands aan twee verschillende onderwijsinstellingen een heel verschillende inhoud had. Om de studies vergelijkbaarder te maken en om tegelijkertijd een landelijk minimumniveau vast te stellen zijn hbo-docenten uit heel Nederland toen voor een groot aantal hogeschoolstudies een zogenaamde kennisbasis gaan schrijven – een beschrijving van parate kennis waarover elke afstudeerder moest beschikken. Dat gebeurde onder de vleugels van de toenmalige HBO Raad, waaruit de werkgroep 10 voor de leraar is voortgekomen. Dat samenwerkingsverband van docenten ontwerpt nu elk jaar een aantal toetsen om na te gaan of studenten echt over de vereiste minimale kennis beschikken.

Natuurlijk is er op detailniveau altijd kritiek mogelijk, maar de kennisbases en de bijbehorende landelijke kennistoetsen zijn in mijn ogen een goed idee. Alleen moeten de toetsen uiteraard wel doen waar ze voor gemaakt zijn: achterhalen of de kennis uit de kennisbasis aanwezig is. Omdat de docenten die de toetsvragen ontwerpen die pas na uitgebreide peer feedback goedgekeurd krijgen, nam ik aan dat dat wel goed zat. En dat veel studenten klaagden over de toets, dat weet ik aan toetsstress of externe attributie. Dat was onterecht. Ik heb vandaag de oefentoets voor de bachelor Nederlands gemaakt en ik schrok van de kwaliteit van veel vragen. Die waren ongeschikt om na te gaan of studenten over de kennisbasisstof beschikten. Al met al is de oefentoets een rommeltje. Als de vragen daarin uit dezelfde databank komen als die van de echte toets, dan is dat ernstig.

De vragen bestrijken in principe het hele gebied van de neerlandistiek. Omdat ik taalkunde doceer, laat ik alle vragen die gaan over literatuur en taalbeheersing hier links liggen, al doe ik dat wel met de opmerking dat daar ook uitermate beroerde vragen tussen zitten. Vragen die in mijn ogen in orde zijn, bespreek ik ook niet. Ik bespreek hieronder uitsluitend taalkundevragen waaraan iets mankeert. Dat geeft al genoeg stof om een flink artikel te vullen. Ik doe dat in de hoop dat de makers van de landelijke kennisbasistoets Nederlands schrikken en heel snel iets doen aan de kwaliteit van hun toetsen.

Om een indruk te geven: de landelijke kennistoets bachelor Nederlands bestaat uit honderd meerkeuzevragen. De toets is hier te vinden: link. Klik op ‘Tweedegraads – Nederlands’ en vervolgens op ‘Voorbeeldtoets: maak de toets’.

Goed, daar komen ze:

Gegeven
In het boek I always get my sin wordt er ingegaan op typische fouten die Nederlanders kunnen maken als ze Engels spreken.Gevraagd
Op wat voor aspect maakt de Nederlander hier een fout: ‘Could I have some toast, or do you not have a bread rooster?’

Fonologisch aspect
Lexicaal aspect
Pragmatisch aspect
Syntactisch aspect
Dit is zeker niet de allerslechtste vraag. Wel is ze illustratief voor de voorkeur die de makers hebben voor vage termen als aspect. De vragensteller wil hier weten op welk niveau van taalbeschrijving er interferentie optreedt. Dat is natuurlijk het lexicale niveau, al vraag ik me ook af of de zinsbouw wel correct is en of een bachelorstudent Nederlands dat weet.

 

Gegeven
Een Spaanse leerling die één jaar in Nederland is, zegt: ‘Ik zag een vogel in de bom.’Gevraagd
Waarom heeft de Spaanse leerling er moeite mee om het verschil te horen en zeggen tussen ‘bom’ en ‘boom’?

De /o/ en de /oo/ klinken in het Spaans even lang.
De /o/ en de /oo/ zijn in het Nederlands distinctief.
De /o/ en de /oo/ zijn in het Spaans distinctief.
De /o/ en de /oo/ zijn in het Spaans twee fonemen.
Ook deze vraag is zeker niet de beroerdste. Het juiste antwoord is volgens de makers B (het tweede van boven), maar in wezen is dat incorrect. Dat de lange en de korte klank in het Nederlands niet uitwisselbaar (en dus wel distinctief) zijn, zorgt niet voor problemen. De oorzaak zit ‘m erin dat de klanken in het Spaans niet distinctief zijn. De vraag wordt er nog slechter op door de onconventionele notatie van de lange klank, die hier als twee o’tjes tussen schuine strepen wordt gezet, in plaats van als een o met één of twee puntjes erachter. Maar een student die z’n stof goed kent, komt er nog wel uit.

 

Gevraagd
Welk distinctief kenmerk onderscheidt de fonemen /e/ en /ɛ/?

Hoog
Lang
Rond
Voor
Dit is een erg slechte vraag. De makers bedoelen: hoe verschillen de klinkers in ‘beek’ en ‘bek’ van elkaar? Het juiste antwoord is volgens hen B ‘lang’. Dat houdt in dat er een lengteverschil zou zijn. Lange klinkers worden in fonetisch schrift doorgaans aangegeven door achter het klankteken één of twee puntjes te zetten. Dat is hier niet gebeurd. Dat suggereert dat ze even lang zijn. In het Nederlands is de klank van ‘beek’ doorgaans wel wat langer dan die in ‘bek’, maar in de vraag staat niet dat je naar het Nederlands moet kijken. Bovendien gaat de mond bij het uitspreken van ‘beek’ wat verder open dan bij ‘bek’, wat afhankelijk van de manier waarop de student fonologische kenmerken aan middelhoge en middellage klinkers heeft leren toekennen antwoord A (‘hoog’) plausibel kan maken.

 

Gevraagd
Waarvan is het gebruik van het suffix ‘-loos’ in ‘respectloos’ een voorbeeld?

Afleiding
Samenkoppeling
Samenstelling
Verbuiging
Hier komt een student met kennis van zaken wel uit, maar de vraag deugt niet. Het gebruik van het suffix -loos is geen voorbeeld van een afleiding, het hele woord respectloos is dat wel.

 

Gegeven 
Er zijn in Nederland drie uitspraakvarianten van /r/: de tongpunt-r, de huig-r en de Gooise-r.Gevraagd
In welk opzicht verschillen de drie uitspraakvarianten van /r/?

Manier van articulatie
Plaats van articulatie
Stemgeving
Vernauwing
Dit is ook een erg slechte vraag. Volgens de makers is het juiste antwoord B. Inderdaad verschillen de drie r-klanken door de plaats waarop ze in de mond worden gemaakt. Maar ze verschillen net zo goed door de manier van articulatie (antwoord A): de tongpunt-r kan een trilklank of een flap zijn, de huig-r is een trilklank en de Gooise r is een zogenaamde approximant.

 

Gevraagd
Hoeveel affixen telt het gelede woord ‘onbaatzuchtigheid’?

1
2
3
4
Ook dit is een slechte vraag. Volgens de makers bevat ‘onbaatzuchtigheid’ drie affixen (voor- of achtervoegsels). Historisch gezien is dat zeker waar en hedendaagse sprekers zullen zeker on- en -heid hier nog als affix herkennen, maar dat ze ‘baatzucht’ nog als woord herkennen en daardoor -ig als achtervoegsel, is niet evident.

 

Gevraagd
Tot welke woordsoort behoort ‘aan’ in de zin: ‘Hij keek mij niet aan’?

Achterzetsel
Bijwoord
Voorzetsel
Werkwoord
Dit is ook een gruwelijk slechte vraag. Volgens de makers is het juiste antwoord B ‘bijwoord’. Dat is zeker mogelijk: partikels van scheidbaar samengestelde werkwoorden worden vaak als bijwoord beschouwd, maar er is ook een ontleedtraditie om ze als deel van het werkwoord te beschouwen. Dat ze in de werkwoordelijke eindreeks kunnen staan pleit voor die ontleding.

 

Gevraagd
Wat is een kenmerk van een bepaling van gesteldheid?

Een bepaling van gesteldheid heeft de vorm van een beknopte bijzin.
Een bepaling van gesteldheid heeft zowel betrekking op het gezegde als op het onderwerp of het lijdend voorwerp.
Een bepaling van gesteldheid komt voor in een zin met een werkwoordelijk gezegde.
Een bepaling van gesteldheid is weglaatbaar.
Volgens de makers is het juiste antwoord hier B. Nou is het al een veel gemaakte fout om het juiste antwoord veel langer te maken dan de alternatieven, maar het juiste antwoord is zeker niet per se juist. Er bestaat wel een type bepaling van gesteldheid dat over zowel het gezegde als het onderwerp of het lijdend voorwerp extra informatie geeft. Dat type wordt wel de dubbelverbonden bepaling genoemd. Maar er zijn allerlei zinsdelen die traditioneel bepaling van gesteldheid worden genoemd en die helemaal niets over het gezegde vertellen. Denk aan ‘spartelend’ of ‘boos’ in ‘Spartelend/Boos droeg men haar de kamer uit’. Een vage formulering als ‘heeft betrekking op’ helpt de student ook niet.

Met uitzondering van resultatieve bepalingen zijn bepalingen van gesteldheid wel weglaatbaar (al zijn daar vast uitzonderingen op te vinden). Omdat het begrip ‘bepaling van gesteldheid’ niet gedefinieerd wordt, is het mogelijk dat de student denkt dat resultatieve bepalingen niet in de definitie van de makers meegenomen is. Dat zou antwoord D plausibel maken.

 

Gevraagd
In welke zin is het vetgedrukte woord een zelfstandig werkwoord?

De astronauten blijven nog twee maanden in de ruimte.
Het leven viel hem zwaar.
In de ruimte zijn druppels volmaakt rond.
Zij worden de beste leraren, wat kennis betreft.
Het juiste antwoord is hier volgens de makers A (het bovenste antwoord). Dat is het meest plausibele antwoord. Blijkbaar beschouwen de makers ‘viel’ in antwoord B als koppelwerkwoord. Dat kan, maar je kunt ook redeneren dat ‘viel’ of ‘viel zwaar’ een zelfstandig werkwoord is.

 

Gevraagd
Wat wordt bedoeld met ‘lingua franca’?

De contacttaal tussen verschillende moedertalen
De officiële voertaal in een land
De taal die thuis wordt gesproken
De taal van een minderheidsgroep
Hier komt de goed geïnformeerde student wel uit, maar de vraagstelling deugt niet. Het juiste antwoord is volgens de makers A. Een lingua franca is een contacttaal die wordt gebruikt door sprekers met verschillende moedertalen. Bij ‘contacttaal tussen verschillende moedertalen’ kan ik me geen voorstelling maken.

Opnieuw wijkt het juiste antwoord door z’n lengte af van de alternatieven – een beginnersfout.

 

Gevraagd
Wat is essentieel voor het begrip tweedetaalverwerving?

Een tweede taal is voertaal in het land waar men de taal leert.
Een tweede taal wordt geleerd door kinderen.
Een tweede taal wordt op school geleerd.
Een tweede taal wordt thuis geleerd.
Volgens de makers is A het juiste antwoord. Ook hier valt het juiste antwoord op door z’n lengte. Het is verder simpelweg incorrect. De makers willen hier vermoedelijk toetsen of de student het verschil kent tussen ‘vreemde taal’ (bewust geleerd met leermateriaal, zonder natuurlijke blootstelling) en ‘tweede taal’ (opgepikt uit de omgeving). Zo’n tweede taal hoeft helemaal geen voertaal van een land te zijn, ze moet alleen in de omgeving van de verwerver worden gebruikt.

 

Gegeven
Een kind zegt: ‘Mijn papa doet ook werken.’Gevraagd
In welke taalverwervingsfase bevindt dit kind zich?

Voortalige fase
Vroegtalige fase
Differentiatiefase
Voltooiingsfase
Volgens de makers is het juiste antwoord hier C ‘differentiatiefase’. Dat is met wat inzicht in toetsmaken wel te raden: dat de taalverwerving nog niet is afgesloten wordt geïllustreerd met een ongebruikelijk zinstype. Alleen komt het in die zin geïllustreerde dosupport in delen van het Nederlandse taalgebied ook veel bij volwassen sprekers voor. Brabant staat erom bekend. Kinderen die constructie van volwassenen over hebben genomen, kunnen heel goed in de voltooiingsfase van taalverwerving zitten.

 

Gegeven
Taalwetenschappers kunnen met behulp van comparatieve reconstructie verwantschap tussen talen aantonen. Zo blijken woorden met de betekenis ‘drie’ in veel talen afgeleid te kunnen worden van het gereconstrueerde ‘treyes’.Gevraagd
Wat betekent dit?

Dat er taalfamilies zijn
Dat er taaluniversalia zijn
Dat er taalvariatie is
Dat er taalverandering is
Het probleem aan deze vraag is dat de student het woordje ‘dit’ moet interpreteren als het volledige tekstje onder ‘Gegeven’. Dan begrijpt hij dat het juiste antwoord A is. Leest de student ‘dit’ alsof dat verwijst naar de zin ‘Zo blijken … gereconstrueerde ‘treyes”, dan is antwoord D juist.

 

Gegeven
In Nederland zeggen we dat iets ‘vast en zeker’ gebeurt, maar in het Vlaams is dat ‘zeker en vast’.Gevraagd
Waar is dit een voorbeeld van?

Lexicale variatie
Pragmatische variatie
Semantische variatie
Syntactische variatie
Volgens de makers is antwoord D ‘syntactische variatie’ hier juist. Dat is pertinent onjuist. De geïllustreerde variatie is idiomatisch. Als ze al met een van de vier genoemde begrippen te beschrijven is, dan is dat ‘lexicale variatie’ en zeker geen ‘syntactische variatie’.

 

Gegeven
De taalvarianten ‘zij heef’ en ‘zij heeft’.Gevraagd
Met welke sociale factor hangt deze variatie samen?

Etnische groep
Leeftijd
Sekse
Sociale klasse
Het juiste antwoord is volgens de makers D ‘sociale klasse’. Wie wat van taalkunde weet, begrijpt wel hoe ze hebben gedacht: in sommige dialecten en regiolecten wordt bij de derde persoon enkelvoud geen uitgang gerealiseerd op de persoonsvorm – of de uitgang wordt niet consequent gerealiseerd. Die variëteiten worden vooral gesproken door mensen met weinig opleiding. Het probleem is alleen dat ze binnen de spreekgemeenschap niet alleen met sociale klasse samenhangen, maar ook met sekse (vrouwen spreken doorgaans standaardtaliger dan mannen) en met leeftijd (jongeren spreken doorgaans standaardtaliger dan ouderen). Soms is het weglaten van de uitgang ook nog etnisch: de etnische Hagenees kan zich bijvoorbeeld profileren door z’n t-loze persoonsvormen.

Ik vraag me overigens nog af of de vorm ‘zij heef’ in het Nederlands wel voorkomt. Zeker weten doe ik het niet, het Nederlandse taalgebied is te divers en mijn kennis van westelijke en zuidelijke dialecten te beperkt om er een uitspraak over te durven doen, maar mijn indruk is dat de variatie binnen een beperkt gebied vaak niet zozeer die is tussen ‘zij heef’ en ‘zij heeft’, maar die tussen ‘zij hep’ en ‘zij heeft’ (of tussen ‘zij het’ en ‘zij heeft’, of tussen ‘zij eeft’ en ‘zij heeft’).