De klucht van Olef Brom, het plezier van de ambiguïteit

Door Ton Harmsen

Ik ken geen mooiere bezigheid dan annoteren, maar ik houd niet van geannoteerde uitgaven. Ooit heb ik zelf met Ben Beenen twee uit Plautus’ Menaechmi vertaalde toneelstukken van verklarende aantekeningen voorzien. Toen dat meer haken en ogen bleek te hebben dan wij op onze schouders konden nemen riepen we de professionele steun in van de Leidse hoogleraar B.C. (Kees) Damsteegt. In zijn studeerkamer nam hij de complete teksten met me door, hij trok uit zijn boekenkast naslagwerken waarvan ik het bestaan niet vermoed had. We kregen nooit ruzie maar we werden het ook niet altijd eens. Ik leerde toen dat niet alle woorden één vaststaande betekenis hebben, en dat die Mehrdeutigkeit juist de charme van de lectuur vormt. Lezen is de aangename taak van de lezer, en juist daarom is het mateloos irritant als iemand je voorschrijft hoe je de woorden moet interpreteren en appreciëren

De lezer wil zijn eigen eruditie meebrengen en niet schoolmeesterlijk toegesproken worden. Bij de annotatie ‘Aristoteles: Grieks filosoof 384-322 v.Chr.’ vraag je je af wat je daar wijzer van wordt. Er bestaat een moderne editie van een toneelstuk waarin ‘leer-suchtige’ wordt verklaard als ‘leergierige’; ik hoopte vergeefs dat ‘leergierig’ verderop in de tekst zou voorkomen om daar als ‘leerzuchtig’ te worden geannoteerd.

Zonder kennis van het zeventiende-eeuws kan je geen Huygens lezen, dus er moeten boeken zijn met tekstverklaringen om de lezer op weg te helpen. Maar als je in Bredero’s Brabander hebt geleerd dat ‘De Brabanders slachten d’Enghelsche’ betekent dat zij (in hun zucht naar gallicismen) op de Engelsen lijken, dan hoef je in Vondels Aenleidinge over de dichter die ‘de hengst slacht’ niet nog eens te horen dat hier geen reden tot ongerustheid is. Annoteer Moortje, Hofwijck, Lucifer en een boek uit de Neederlandsche histoorien, en laat de lezer dan zelf zijn boontjes doppen zou ik aanbevelen.

En natuurlijk zijn er ook zinvolle annotaties. Een goede, verhelderende woordverklaring geeft stof tot nadenken. In Leeuwendalers (1647) schrijft Vondel:

.        Wy gaen met koeien om, maer slaghten paert, noch koeien,
.        Die achteruit slaen, en hun voêr met voeten treên (vs. 634-635).

De WB-editie geeft bij ‘slaghten’ de aantekening ‘gelijken op’, maar Asselbergs verrast in zijn tekstuitgave met een etymologische verklaring: ‘van hetzelfde slag zijn.’ Bij SLACHTEN II (dus een ander woord dan SLACHTEN I dat doden betekent) licht het WNT toe dat het afgeleid is van de stam van ‘Slaan’, maar dat leidt eerder tot de betekenis van slachten door de slager. Bij het lemma SLAG vinden we als betekenis 70 (!) ‘soort’ of ‘aard’, met de annotatie dat hierbij aan een stempel moet worden gedacht.

De lezer moet het werk doen

Een lezer kan in een tekst leggen wat hij zelf wil. Binnen de grenzen van de woordbetekenis natuurlijk, maar die grenzen zijn ruim en geven aanleiding tot de fantasie die juist het echte plezier van het lezen uitmaakt. Je kijkt naar papier met drukinkt en je ziet een hele wereld voor je: landschappen, hartstochten, muziek, architectuur; mooi en lelijk, rijk en arm, arm en rijk, goed en kwaad. Je interpreteert zo goed mogelijk, van Pinkeltje tot Ulysses. Hulp daarbij is onontbeerlijk, je moet opzoeken wat nieuwe woorden betekenen, wat fictie is en wat werkelijkheid, hoe de ironie en de allegorie werkt. Niets is zo heerlijk en zo verhelderend als een gedetailleerde discusie over een passage uit een boek. Maar stap voor stap bij het handje te worden genomen, bij de eerste letter van de Spaanschen Brabander (T’is wel een schoone stadt) van Stutterheim te moeten vernemen ‘Amsterdam; het pronomen is misschien deiktisch’ is, hoezeer ook goedbedoeld, een belediging voor de lezer.

Het meeste behoefte aan steun bij het lezen heb je bij kluchten, maar juist daar is die steun het meest irritant. Juist omdat de klucht met zijn onconventionele situaties de fantasie prikkelt is het ergerlijk stelselmatig voor de voeten te worden gelopen door een annotator met een ander gevoel voor humor, decorum, preutsheid en moraal. Er was een dominee die cabaret op vrijdag verbood omdat de mensen dan op zondag zo zaten te lachen in de kerk. En zo is het: wat je hoort of leest blijft je bij, het kwartje valt niet altijd onmiddellijk; maar het hoeft ook niet stante pede door iemand naar beneden geduwd te worden. Literatuur is om te herkauwen, de lezer moet door bespiegeling zichzelf ontwikkelen, en hij moet verwijzingen en toespelingen zelf opzoeken, in zijn bibliotheek of op het internet. Met dank aan Gutenberg en Steve Jobs.

Bij preutse literatoren heeft het Nederlandse kluchtspel heeft geen goede naam. Andries Pels hekelt in zijn Gebruik én misbruik des tooneels de schunnigheden op het kluchttoneel:

.        Onnoodig is het, dat ik honderd kluchten noem,
.        Die door geen and’re drift, als geilheid, zyn beschreeven.
.        De meeste heeft men van ons Schouwtooneel verdreeven (vs. 660-662)

Zelfs Vondel moet het bij hem ontgelden. In Joseph in Egypten  probeert de vrouw van Potifar met alle mogelijke middelen, maar vergeefs, Josef te verleiden. Vergeefs bij Josef, maar Pels vraagt zich af hoeveel schade er aan de zielen van de toeschouwers wordt aangericht:

.        Hoor Jémpsars rédenen tót Jozéf eens, én lét
.        Op haar’ gebaerden, én de toestél by het béd.
.        Die ritze tókkeling moog’ Jozéfs hétte dooven;
.        Maar ’k durf dat wonder van den kyker niet gelooven (vs. 675-678).

De moderne lezer is wel wat gewend op het gebied van seksuele details, maar hoe ver ging men in de zeventiende eeuw? Die vraag is niet eens zo gemakkelijk te beantwoorden: woorden die voor ons onschuldig zijn kunnen vier eeuwen geleden een obscene betekenis hebben gehad, en andersom. Vijftig jaar geleden kon je onbekommerd zeggen: u heeft veel huiswerk opgegeven maar ik ben klaargekomen. Maar inmiddels hoeft klaarkomen/gereedkomen al niet meer in het Verwarwoordenboek. Omgekeerd zijn wij enigszins verbaasd als wij in Vondels Een Otter in’t Bolwerck lezen: ‘Wel hoe is Otjes hart soo groen.’ Pas als we weten dat groen wulps of wellustig kan betekenen begrijpen we waarom Vondel dit adjectief gebruikt. Voor de interpretaties van gewaagde uitdrukkingen in oude teksten is dus grote oplettendheid nodig.

Een fraai voorbeeld van schunnigheden is de Klucht van Olef Brom door Mathijs Kueser (1646). Van Kueser is alleen deze klucht bekend, verder niets. Bij hem betekent groen duidelijk opgewonden, als Olef zegt:

.        Verseker ’k bin soo verbruyt groen:
.        Men Hart brant in mijn, als een Turf in een Back-oven (vs. 158b-159).

Daar is geen WNT voor nodig, de context maakt het duidelijk genoeg. Het gevolg is dat we bij het lezen van Kuesers verzen er nu steeds van uit gaan dat hij een schuinsmarcheerder is. En terecht. Maar het aardige is dat de een in zijn klucht meer schunnige taal zal vinden dan de ander, en dat bij herhaalde lezing steeds meer dubbelzinnigheden gaan opvallen. Juist dat maakt, ook al ontbreekt het in de klucht van Olef Brom aan grote literaire kwaliteiten, het een avontuur om zijn tekst te lezen.

De intrige van dit stuk is te simpel voor woorden: een moeder scheldt haar dochter uit omdat zij verliefd is op een kale jonker; de dochter geeft de jonker niet meteen zijn zin, zodat er een kat-en-muisspel volgt; de bedienden van de jonker geven ironisch commentaar, helpen de jonker met het opgegeven raadsel dat hem toegang tot zijn geliefde moet geven en straffen hem dan genadeloos af. Van het verhaal moet Kueser het dus niet hebben,  het zijn de dialogen, de woordenschat en de bijzondere taalvormen die zijn klucht voor de moderne lezer interessant maken. De moeder begint met een prachtig woord:

.        Foey schaemje, durf jy van die Hodde-beck praten,
.        Wouje sulcken uytsuyper onder jou deck laten? (vs. 1-2)

Hoddebek, het WNT doet er een slag naar; maar het woord brengt ons onmiddellijk naar een levendig stukje zeventiende-eeuws Nederlands. Als Yfje, haar dochter, zegt dat haar amant een goed stuurman is, antwoordt de moeder:

.        Jae waer, nae Aersendorp, met buycker slootse-waeren! (vs. 34)

en ze voorspelt haar dochter dat zij zal eindigen in het spinhuis:

.        Soo sweer ick dat jy raeckt int ’t Spinnenburchs Gilt (vs. 40)

Maar die laat zich niet van de wijs brengen. Terzijde zegt zij:

.        Nou ’k macher gaen te Bet helpe die Ouwe Kop vol kreucke:
.        Soo ken ick strack mijn lief met mindelijck lusjes
.        Onthaelen, als hy komt door vrindelijcke kusjes. (vs. 82-84)

En meteen daarop komt Olef Brom op, die zijn liefdesnood schetst:

.        Wat leyt en Minnaer oock duer minnens lust al onlusten,
.        ’k Wordender soo door ghequelt, dat ick nacht noch dach kon rusten!
.        En nou heb ick hier en Meysje half bekoort tot Min:
.        Maer dat verbrabbelde Meertje doet niet eens van men sin!
.        ’k Hebber wel drie weecke ghevrijt en na ’t Assijsje ghehengelt
.        Met sulcken yvrigheyt en noch niet eens ghebengghelt:
.        Is dat niet troosteloos, en seker ick moet na ’t Kerck-hof
.        Soo icker niet haest eens mach, daeghs maeck icker Weynich werck of;
.        Maer als ick te met in ’t Bet legh gans datje de deck sacht rijse:
.        Lest sey onse Meyt, legje so hoogh metje knien? Mocht ickje dat eens wijse
.        Docht ick hier ondert deck, jy souter wel nae luystren,
.        Soo sou mijn soetert oock wel mocht icker maer eens vuystren
.        Of dat ’k een Tuynman was en mocht heur lust Hof snoeyen
.        ’k Sout of snoeysel soo wel plante datter wel en jongh spruytje sou of groeyen,
.        Dan sou ’k een Man sijn en ’t Wijf sou segge wilje men dat eens reycke:
.        Dan warmt de Luyers, dra neemt de Pappot, wech ’t Kint wil seycke!
.        En ick sou men Wijf soo diene, ’k souse Water haelle, Mostert maelle,
.        Sie ’k mach dat ghevierlipt Volck soo graegh lijen ick kantje niet verhaelle!
.                                                                                    (vs. 85-102)

De rijzende deken, het snoeien van de hof: allemaal keurig gezegd maar gemakkelijk obsceen geïnterpreteerd. Gevierlipt of viergelipt volk komt vaker voor, als omschrijving van de vrouw, en er is weinig fantasie voor nodig om aan zoen- en schaamlippen te denken.

En dan is het hek van de dam:

.                                         jae alsje Schoorstientie iens vuyl was,
.        ’k Sout raghe, vaghe, net, klaer, sindelijck, suyver en schoon,
.        Ja hanghender te met en stuck Vleys in, tot nuttingh van u Persoon.
.                                                                                    (vs. 210b-212)

Wie neemt dit letterlijk, als het door zo een hitsige man gezegd wordt? Een man die aankondigt dat zijn liefste wens is ‘Met mijn Knickertjes speulle in jou ront Potje’ (vs. 243).

Hoe belust zij ook is, Yfje geeft zich niet zomaar gewonnen: voordat Olef met haar mag vrijen moet hij een raadsel oplossen. Hij legt dit voor aan zijn bediendes, die ook al van hun ruime seksuele ervaring, als practisanten en voyeurs, blijk hebben gegeven; maar die zich vooral zorgen maken dat Olef het laatste beetje huishoudgeld aan Yfje zal besteden. Het raadsel gaat als volgt:

.        Een Visscher die heeft groot verlanghen:
.        Als hy eens vist om wat te vanghen;
.        Op dat sijn Netje wort ghevult.
.        Nu raet waer men de soetste Vis
.        Vangt, daer gheen Vis omtrent en is,
.        Dees Nacht by mijn ghy slaepen sult (vs. 477-482).

De oplossing krijgt hij van zijn personeel:

.        Als ghy u slincker arm om haer rechter, u rechter been om haer slincker meucht winde,
.        Vangt ghy de soeste Vis daer gheen is, dat sult ghy soo bevinde
.                                                                                    (vs. 491-492).

Tot haar kennelijke tevredenheid is het raadsel nu opgelost, zodat zij zich kunnen gaan ontkleden. Maar de knechts gooien roet in het eten: zij verwittigen de moeder, die hen als duivels verkleedt – geen motief wordt geschuwd – zodat zij Olef Brom het huis uit kunnen jagen met achterlating van zijn bezittingen. Zo komen de snoepers te pas en zo worden de dieven beloond; enigszins huichelachtig klinkt uit hun mond de moraal van het verhaal:

.        Dats kant kom gaen wy dan, vaert wel ghy Knijnne-hocken
.        Besmet u nesten niet laet elck de sijne focken (vs. 615-616).

Kueser ondertekent met de zinspreuk ‘Elck is schuldich’ en zo voelt de lezer zich ook als hij zich met deze platte humor vermaakt heeft. Er zijn zoveel kluchten met dit soort humor dat we ons over de hoogstaande moraal van de zeventiende-eeuwse Nederlanders geen illusies meer hoeven te maken.

De klucht van Olef Brom is door Marti Roos uitgegeven bij Ceneton. Daar vindt men ook Pels’ Gebruik en misbruik des tóóneels en de hier genoemde Spaanschen Brabander en Joseph in Egypten.