‘De dankbare jood of de beloonde braafheid’ (1801)

Jeugdverhalen over joden (16)

Door Ewoud Sanders

‘De dankbare jood of de beloonde braafheid’ is een vertaling van ‘Le juif reconnaissant, ou la probité récompensée’. Het Franstalige origineel werd in 1799 gepubliceerd in een Duits-Frans leerboek, getiteld Französisches Lesebuch für deutsche Söhne und Töchter. De Nederlandse vertaling verscheen in 1801 in Verzameling van leerzame opstellen tot een school- en leesboek voor de jeugd. Het staat in de afdeling ‘Zedekundige verhalen, geschiedenissen en gesprekken’.

‘De dankbare jood of de beloonde braafheid’ is minstens zeven keer gepubliceerd, met kleine titelvariaties en in diverse bewerkingen:

Jaar Titel van het verhaal Gepubliceerd in:
1 1801 De dankbare jood of de beloonde braafheid Verzameling van leerzame opstellen tot een school- en leesboek voor de jeugd
2 1814 De eerlijke boer en dankbare jood Zedekunde voor de jeugd, in verhalen, kernspreuken en bijbelteksten
3 1840 De dankbare jood of de beloonde braafheid Keur van nuttige en aangename verhalen voor de jeugd
4 1848 De dankbare jood of beloonde braafheid Weekblad van Den Helder en het Nieuwediep, 28-2-1848
5 1860 De dankbare jood of de beloonde braafheid Keur van nuttige en aangename verhalen voor de jeugd
6 1861 De dankbare jood of beloonde braafheid Friesch jaarboekje of almanak voor het jaar 1861
7 1870 De eerlijke boer en de dankbare Jood Honderd leesoefeningen, ontleend uit de kinderwereld

In de samenvatting is geciteerd uit de oudste vertaling/bewerking.

Samenvatting

Bij het oversteken van een rivier komt een joodse handelsreiziger in een draaikolk terecht. Zijn paard verdrinkt, maar hij wordt op het nippertje gered door een boer die in het water is gesprongen.

De boer neemt de handelsreiziger, die ‘half dood van koude en schrik’ is, mee naar zijn hut. Hij ontdoet hem van zijn kleren en legt hem op een stapel stro om hem op te warmen.

Nadat de handelsreiziger is bijgekomen, zoekt hij de buidel die aan zijn gordel hing. Die is gevuld met diamanten en parels.

De buidel is echter verdwenen. Hoewel de boer bij hoog en laag ontkent dat hij de buidel heeft gestolen, verdenkt de jood hem van diefstal. Toch besluit hij geen aangifte te doen, want daarvoor heeft hij ‘eene veel te grootmoedige ziel’.

‘Gij hebt’, zegt hij tegen de boer, ‘mijn leven met gevaar van het uwe gered, maar gij berooft mij van het vermogen, om u mijne dankbaarheid te betonen.’ Vervolgens eist de jood van de boer ‘eenig geld’ om veilig naar de dichtstbijzijnde stad te kunnen reizen. ‘Vrij misnoegd’ nemen de mannen afscheid van elkaar.

Een paar maanden later vindt de boer, tot zijn verbazing, de geldbuidel in zijn mestkuil. Die moet, zo reconstrueert hij, bij het uitkleden van de handelsreiziger in het stro zijn gevallen, stro dat vervolgens naar de mestkuil is gebracht.

Omdat de boer geen naam en adres van de handelsreiziger heeft, gaat hij vaak langs de weg staan in de hoop hem tegen te komen. Hij bergt de buidel zorgvuldig op zonder er iets uit te nemen.

Twee jaar later stopt er een rijtuig voor zijn hut waar een paar joden uitstappen, onder wie de handelsreiziger. De vrouw en kinderen van de boer verbleken van schrik, want ze zijn bang dat de joden hun iets willen aandoen. Maar de joodse handelsreiziger valt zijn redder juist om de hals om hem te bedanken. Hij vertelt dat hij er inmiddels van overtuigd is dat de boer hem niet heeft bestolen. ‘Telken reize wanneer ik ter jaarmarkt ging’, vertelt hij, ‘heb ik, in het geheim, uw gedrag bespied; ik ben tot in uw dorp geslopen, om den toestand uwer zaken te vernemen en te weten of gij uwe akkers vermeerderd of eenige andere aanwinst gedaan hadt.’

In plaats daarvan blijkt de boer tot armoede te zijn vervallen. Hij heeft geld moeten lenen en omdat hij dat niet kan terugbetalen, zal zijn land worden geveild.

Als de handelsreiziger aanbiedt om deze schuld te betalen, barst de boer in tranen uit. Als de boer vervolgens de buidel haalt en uitlegt dat hij vaak langs de kant van de weg heeft gestaan in de hoop om deze te kunnen teruggeven, is de handelsreiziger diep geroerd. ‘De jood zag den buidel na en vond alles weer, tot de kleinste paerel, tot het minste aasje goud toe, dat er in geweest was.’

Eerst wil de handelsreiziger ook de buidel aan de boer schenken, maar hij bedenkt zich, want de boer zou de inhoud tegen te weinig geld verkopen. In plaats daarvan koopt hij een paar dagen later voor de boer de ‘beste landhoeve’ die er in het dorp te krijgen is.

Sindsdien zoekt de dankbare jood zijn redder tijdens iedere jaarmarkt op. En hij komt nooit met lege handen.

Verhaalvarianten

In de oudste versie vertelt de boer dat hij, in zijn armoede, ‘meenigmaal in verzoeking geweest was’ om geld uit de buidel te halen, ‘maar dat hij, in plaats van deze onregtvaardigheid te begaan, liever had verkozen, honger te lijden’.

In Zedekunde voor de jeugd (1824), dat is vertaald uit het Duits, leidt de zelfbeheersing van de boer tot uitvoerige discussies met zijn vrouw. Zij zegt onder meer: ‘Wij konden ons nu uit alle onze ongelegenheden helpen; de jood komt toch niet weder, en, indien hij ook als eens weder kwam, zoo zou hij u toch immers iets voor uwe moeite geven.’

Maar de boer – in deze versie Hendrik genaamd – houdt voet bij stuk. ‘Vrouw, het geld blijf tot eenen penning toe bij een, tot dat ik den jood heb uitgevorst en het hem weder ter hand stelle. Dat zou in der daad eene schoone winst zijn, indien ik voor dat weinige goud mijn goed geweten verloor!’

In deze versie laat de joodse handelsreiziger voor de boer ‘een nieuwe huisje’ bouwen, in de versie van 1848 gaat het om ‘de beste boerderij die er te krijgen is’, een locatie die in het schoolboek van 1870 is uitgedijd tot ‘eene fraai gelegene boeren-hofstede met eenige bunders heerlijk bouw- en grasland’.

Doelgroep en receptie

Zoals al blijkt uit de titels van de bundels, was het verhaal voornamelijk bestemd voor de (schoolgaande) jeugd. Van het verhaal zelf heb ik geen besprekingen gevonden. Over de bundel uit 1801 oordeelde het tijdschrift Boekzaal der geleerde waerelt dat het een nuttig werk was dat zowel als ‘een Leesboek voor de Jeugd’ zou kunnen dienen, ‘als tot een Schoolboek, om daar uit, ter oefening, weder in het Fransch te vertalen’.