woord?woord (2/6)

Nultaal (9)

Door Jan Renkema

Zonder nul is er geen wiskunde. Zonder niets is er geen communicatie. Want niets in taal is niet niets, maar iets. In deze serie een verkenning van onder meer: de stilte, de spatie, de betekenis van de punt, wat er gebeurt tussen ‘navel’ en ‘truitje’, het inhoudsloze gesprek, ‘Dat hebt u mij niet horen zeggen,‘E 621’ op een verpakking en verbale reddingsvlotten. Niets?zeggend, nee: Iets!zeggend.

Deze en de komende zes afleveringen van Nultaal gaan over het niets tussen woorden in een samenstelling van twee woorden. Het gaat alleen over combinaties van twee zelfstandige naamwoorden waarvan het tweede deel de kern vormt, en waarvan de betekenis van de woorden zelf geen toelichting behoeft. Zie voor verdere uitzonderingen de vorige aflevering.

Hoe zijn deze combinaties verbonden? Wat gebeurt er in dat niets? Mijn doel is om hier enige ordening in aan te brengen. In Handboeken Morfologie staan wel onderverdelingen, maar er zit weinig systeem in. Soms meen ik het begin van een systeem te ontwaren. Daarvan doe ik hier verslag. En nu maar hopen dat meer deskundige lezers niet zullen zeggen: “Het nieuwe erin is niet goed, en het goede erin is niet nieuw.”

Bekijk eens de volgende drie rijtjes, en kruis dan in elk rijtje één woord aan dat op een of andere manier uit de toon valt bij de andere twee.

appelazijn boomchirurgie vlinderdas
appelboor boomdiagram vlinderdans
appelfiguur boomzalf vlindertuin

In alle drie rijtjes zit een samenstelling waarin het eerste woord figuurlijk wordt gebruikt. Bij appelazijn gaat het om echte appels, bij boomchirurgie om echte bomen, en in een vlindertuin fladderen echte vlinders. Maar in de woorden appelfiguur, boomdiagram en vlinderdassen gaat het niet om echte appels, bomen en vlinders. Je moet hier iets invoegen als ‘lijkt op’. Ja, natuurlijk kun je van appels ook een figuur leggen, maar dat is hier niet bedoeld.

Trouwens, soms zijn de letterlijke en figuurlijke betekenis beide mogelijk. Neem babyborrel, in de letterlijke betekenis een ‘kraamfeest’ en in de figuurlijke betekenis een ‘kleine borrel’. Of neem chocolade ogen (let even niet op de spatie waartoe onze grillige spelling ons verplicht). In de taartversiering gaat het om echte chocola en figuurlijke ogen, maar als de ogen van een bijzonder ogend persoon bedoeld zijn, gaat het om echte ogen, en moeten we bij chocola de toevoeging ‘lijkt op’ denken.

En nu een grote sprong van ‘woord?woord’ naar grammaticale relaties. Het hoge woord moet er maar uit. Plotseling kreeg ik een inval: de relaties in woord?woord lijken op de relaties tussen zinsdelen. En die gedachte liet me niet meer los. Ik raakte geobsedeerd door het idee dat alle relaties tussen woorden beschreven kunnen worden in termen van relaties zussen zinsdelen, met daarbij drie zinsrelaties als basis: het naamwoordelijk gezegde, het werkwoordelijk gezegde en daaromheen de bijwoordelijke bepalingen. Dit schreeuwt om toelichting. Laat ik eerst die gezegdes en bepalingen nog even illustreren. Vergelijk de volgende zinnen:

  • a Jan is een ei. (figuurlijk)
  • b Jan eet een ei.
  • a Marie is de keeper. (letterlijk)
  • b Marie tackelt de keeper.

In de b-zinnen doet het werkwoord iets met het zinsdeel dat daarna komt: het ei wordt gegeten en de keeper wordt getackeld. Dit noemen we een werkwoordelijke relatie, vandaar de term werkwoordelijk gezegde in bijvoorbeeld: “Jan heeft een ei gegeten.” Maar in de a-zinnen is dit niet het geval. Het deel na het werkwoord ‘koppelt’ een eigenschap aan het zelfstandig naamwoord, dat als onderwerp dient, Jan of Marie. Niet voor niets heet het werkwoord (‘zijn’ of een variant daarop, zoals ‘lijken’) een koppelwerkwoord. Zo’n relatie noemen we naamwoordelijk en is de basis voor een naamwoordelijk gezegde. Bij beide gezegdes kunnen bijwoordelijke bepalingen worden toegevoegd. Hier twee voorbeelden:

  • a Marie is al jarenlang keeper. (bepaling van tijd)
  • b Marie tackelt de keeper uit wraak (bepaling van oorzaak)

Nogmaals de negen voorbeelden hierboven. De drie figuurlijke (appelfiguur, boomdiagram, vlinderdas) bevatten met de beteenisrelatie ‘lijkt op’ in deze benadering een naamwoordelijke relatie. Zijn er ook werkwoordelijke relaties met een onderwerp, lijdend voorwerp enz.? Ja, met niet eens zoveel goede wil herkennen we een onderwerp in vlinderdans, een lijdend voorwerp in appelboor en een meewerkend of belanghebbend voorwerp in vlindertuin. We houden dan nog drie voorbeelden over: appelazijn (‘gemaakt van’), boomchirurgie (‘met betrekking tot) en boomzalf (‘ten behoeve van’). Dit zouden dan relaties kunnen zijn die in zinsontleding bekend staan als bijwoordelijke bepalingen? Misschien is die laatste in boomzalf toch ook eerder te zien als de relatie van belanghebbend voorwerp. Maar daarmee blijft het idee van drie basisrelaties nog wel overeind.

Kortom: het vraagteken in woord?woord lijkt een nieuw domein van (zins)ontleding. En nu maar hopen dat we zo meer van het niets ontdekken dat zich verschuilt tussen de woorden in woord?woord. Volgende week verder.

Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter