Werklozenpoëzie

Door Renaat Gaspar

In Roosendaal werden tijdens de grote depressie van de jaren ’30 in de brievenbus van bepaalde huizen blaadjes met gedichten bezorgd, niet met poëzie van bekende schrijvers maar met verzen van eigen maaksel.

Hieronder staan vier gedichten van werklozen in Roosendaal uit de periode tussen 1932 en 1933 en één uit de latere jaren ’30. Vermoedelijk zijn de eerste vier ontstaan in het najaar van 1932; toen nam het aantal werklozen in Nederland plotseling zeer sterk toe, van ca. 280.000 naar ca. 400.000 in 1933.  Het vijfde dateert van na 1934, toen de spelling-Marchant was ingevoerd. Deze verzen werden destijds bij de huizen van gegoede medeburgers bezorgd en naderhand weer opgehaald. Prijs naar goeddunken. Een aalmoes dus.

Het is geen vrolijk stemmende lectuur. Ontslag, werkloosheid en armoede konden iedereen treffen: de kantoorklerk, de winkelbediende, de landarbeider, de metselaar, de timmerman e.t.q. Het is vanzelfsprekend hier niet de plaats om de oorzaken en de gevolgen van die desastreuze economische en maatschappelijke ontwikkelingen te beschrijven, laat staan te becommentariëren. Wel moeten, om de gang van zaken rond deze briefjes goed te verstaan, een drietal omstandigheden aangestipt worden.

  1. Bedelarij (en landloperij) waren als vanouds bij de wet verboden; wie zich daaraan schuldig maakte, kon een gevangenisstraf van maximaal 12 dagen tegemoet zien.
  2. Werklozen moesten elke dag (soms tweemaal per dag) hun werklozenkaart laten afstempelen om recht te hebben op ondersteuning; wie dat verzuimde, kreeg een mindering op het steunbedrag.
  3. De eerstvolgende afstempeling gebeurde (voor niet-vakbondsleden) telkens op een ander, wisselend tijdstip, dat pas na het moment van stempelen aan de werkloze werd meegedeeld. Zo wilde de overheid absoluut verhinderen dat de steuntrekker tóch – tegen de desbetreffende verbodsbepaling in – stiekem een baantje had.

Colportage van poëziebriefjes bood echter de mogelijkheid – dacht men – om die hindernissen te omzeilen. Tussen de verschillende stempelmomenten hadden de werklozen immers alle gelegenheid om de gedichten te bezorgen, later op te halen en aldus ‘zwart’ een centje bij te verdienen. Ook zal men gemeend hebben dat er geen sprake was van bedelarij, omdat in ruil voor geld een tastbaar product – hoe bescheiden ook – werd geleverd. Venters en andere ‘zelfstandigen’ hadden hoe dan ook geen recht op bijstand, dat was bekend. Maar venters waren zij niet – meenden zij –  en een ventvergunning was dus niet nodig omdat het product niet tegen een door hen vastgestelde prijs werd aangeboden.

Het aantal van vier gedichten is verhoudingsgewijs erg laag. Wellicht werd deze colportage zo spoedig gestaakt omdat de drukker F. Rombouts in een onberaden ogenblik onder het laatste briefje (nr. IV) zijn naam had geplaatst, zodat hij als begunstiger – zo niet als veroorzaker – van deze illegale activiteit kon worden aangewezen. Zodoende kon hem als verantwoordelijke persoon een verbod op verder drukwerk ten bate van werklozen worden opgelegd, en aldus maakte de overheid aan deze vorm van verkapte bedelarij en aan deze onwettige bijverdienste een einde. Dit alles doet vermoeden dat de steuntrekkers nóg strenger gecontroleerd werden op overtreding van de bovengenoemde verbodsbepalingen, en de werklozen zullen daarna deze openlijke vorm van bijverdienen als een te riskante bezigheid hebben beschouwd – al is heimelijke bedelarij nooit helemaal verdwenen.

Het vijfde gedicht van enkele jaren later staat enigszins apart hiervan, omdat de werkloze zeeman – als een soort zzp’er avant la lettre – helemaal geen recht op steun had; hij moest zélf maar trachten zijn monsterboekje aangevuld te krijgen en op eigen kracht, zonder enige bijstand, in zijn onderhoud voorzien.

Hoewel sommige inleidende zinnen op deze vier gedichten verrassend veel overeenkomst vertonen – kwamen die uit de pen van F. Rombouts? – lijken de gedichten zelf wel degelijk van eigen maaksel. Ze zijn nauwkeurig gekopieerd, inclusief de drukfouten, bijvoorbeeld ‘vrouiw’, ‘nietweet’. Hoogstaande poëzie is het niet: stoplap, rijmdwang, gedachtesprongen, rommelige bouw, je komt het allemaal tegen, evenals drukfouten, spelfouten en een eigenzinnige interpunctie. Maar de kreet om hulp is daardoor des te sterker.

[I]

Het personeel wordt beleefd verzocht Mevrouw dit lied ter hand te stellen.
MIJNHEER!                                       MEVROUW!
Daar de Maatschappij mij niet in de gelegenheid stelt door mijn arbeid als vakman in mijn onderhoud te voorzien en ik toch eveneens verplichtingen blijf houden, zoo tracht ik op een eerlijke manier door het aanbieden van onderstaand lied in mijn onderhoud te voorzien. Ik hoop en vertrouw, dat gij allen geachte medeburgers die eenigszins dit zijt dezen liedjes zult willen koopen, gedenkend de spreuk:
Steunt en draagt elkanders lasten

Klachtlied der werklooze

Wijze: Molen aan den vliet.

In dezen tijd van werkloosheid,
Dwalen wij langs s’Heeren wegen,
Vragen gezwind, voor vrouw en kind,
De patroon heeft ons gedaan gegeven.
De werkman heeft nu bangen nood,
Geeft hem dus werk, hij hongert dood.

Refrein voor elk couplet

Nu zingt de werklooze,
Uit armoe en verdriet.
’t Is voor zijn vrouiw en kind’ren,
Dus luistert naar zijn lied.
Moet dit nog langer duren,
Aanschouw dan slechts dit leed.
Wil hem toch niet wegsturen,
Omdat hij niets meer heeft.

Ziet ons nu aan, zooals wij hier staan,
Geen steun wordt ons meer gegeven.
Weken reeds lang, slaat ons harte bang,
Wat is voor ons toch het leven
Deez’ groote wereld rijk en blij,
Voor ons is het geen maarschappij.

Tijd vliegt voorbij, oud worden wij,
Denken wij nog aan die jaren.
En aan die tijd, vol haat en nijd,
Van honger en oorlogsgevaren,
De werkloosheid is nu groot,
Onze vrouwen en kind’ren vragen om brood.

Prijs van dit lied naar goeddunken.

N.B. Dit biljet wordt door mij persoonlijk of door mijn vrouw opgehaald.

 

[II]

M. M.

Geachte medeburgers, daar de maatschappij ons niet in de gelegenheid stelt om door handenarbeid ons brood te verdienen trachten wij door het verkoopen van dit liedje in ons onderhoud te voorzien

WERKELOOZENLEED !

1

Tot werkeloosheid zijn wij gedwongen,
Al is het buiten onze schuld.
Niets dan leed, niets dan honger;
Al is een werkeloozenhand reeds snel gevuld.

2

Wat het nog met ons zal worden
Nu de winter staat voor de deur
Nergens werk wel leege borden
Nood te keuze en te keur.

3

Krachtige mannen, jonge kerels,
Dagelijks slenterend langs de straat,
Wat een onrecht in de wereld,
Nergens hulp, wel veel gepraat.

4

Derhalve blijft ons arme stumpers
Niets anders dan weldadigheid,
Vertrouwende dat de “werkende” burgers
Toonen hun solidariteit.

5

Deze verzen bieden wij te koop
Bij werkman en bij middenstand,
Om ons te steunen in den nood
Aan allen onzen grooten dank.

Antwoord wordt door ons opgehaald. Prijs naar goeddunken

[III]

[Vignet  met het Nederlandse wapen op blauw papier van de overheid.]

Nog nooit zoo iets gedaan
Voor slechts éénmaal.

Smartkreet van een Werkelooze.
Het lot van een Fabrieksarbeider

‘k Was eertijds een vlijtig werkman
Ik leefde in geluk en vrêe
Leefde zonder zorg en kommer
En was toen dankbaar en tevreê
Toen kwam de werkeloosheid, o wee
Mij breken mijn geluk en vrêe
De eens verwachtte werkeloosheid
Stond ook voor mijn deur gerêe.

Door radeloosheid niet meer wetend
Wat ik moest doen voor mijn brood
Dacht ik laat mij een versje maken
En verkoopen in deez’ nood
Hoeveel hebt gij, o, edele menschen
Voor buitenlanders reeds gedaan
Koop heden eens een versje van mij
Uwe daad blijft dan voor God bestaan.

U mag bij ’t koopen van dit versje
Mij geven wat U zelf maar wil
U maakt mij daardoor o zoo dankbaar
En maakt mij dan voor Gode stil
Steeds zal ik U gedachtig blijven
U, die mij helpt uit hoogen nood
Die door het koopen van mijn verzen
Mij en de mijnen helpt aan brood.

N.B. In de hoop dat U mij ook als werkman aanziet en niet als een koopman van beroep.

[IV]

Smartkreet van een Werklooze voor slechts éénmaal
Nog nooit zooiets gedaan

Mijnheer            Mevrouw
Wanneer ik loop langs grachten en straten
Steeds in de hoop van dit versje kwijt te raken,
Geloof Mevrouw of Juffrouw, dat zijn zeer moeilijke taken
Hopende onder Gods zegen dat het voor slechts eenmaal mag zijn
Tot mijn grootste verdriet
Mevrouw of Juffrouw helpt mede,
Opdat ik niet zinke in ’t niet

Smartkreet van een Werklooze

Wat is ’t ellendig om werkeloos te wezen,
‘k Ontbeert op vreugde en genot.De armoe staat op mijn gelaat te lezen,
‘k Lijd tot mijn dood een zeer rampzalig lot.
Het schamel brood eet ik met grage beten
‘k Verga van kommer, smart en pijn,
En tooi m’ in kleeren, door een ander versleten
Wat is ’t toch ellendig om werkeloos te zijn.

Maar toch wil ik niet met d’ anderen ruilen,
Die zich den opstand denken, hun ten baat,
‘k Wil liever nog, dan grievende pruilen,
Mij toevertrouwen op de hulp langs de straat.
Neen, ik wil liever alles nog ontberen,
En lijden op dee’z aarde, kommer pijn,
Dan onrechtigheid schatten te vergaren.
Al is ’t ellendig, werkeloos te zijn.

Hier zwoegt er een vader voor ’t dagelijks brood
Daar speelt er een kindje, bij moeder op schoot
Gelukkig dit kindje, dat nu nog niet weet
Van kommer en zorgen en ouderleed

Koop s.v.p. Prijs na eigen goeddunken
Wordt antwoord opgehaald.

Druk. F. Rombouts, Roosendaal

[V]

[Afbeelding van een oceaanstomer op volle zee.]

Aangeboden aan Mevrouw of het dienstdoende personeel door een werkloze zeeman die geen steun krijgt, die tracht door de verkoop van dit lied in zijn onderhoud te voorzien.

Scheepspapieren ter inzage

VOORHEEN

Storm is de nacht
En de zee gaat hoog
Over de woeste baren
Met zoveel gevaren.
De stoker schept de vuren vol
En de matroos houdt het schip op koers
Doch we hadden plezier in het leven
Want werk was er genoeg
en de schepen wel zeven.
  THANS
Toen kwam de crisis-tijd
En zonder schip zijn wij ook
Onze koers al kwijt.
De schepen liggen in de hoek
En de schoorsteen rookt niet meer
Onze handen zijn nog sterk genoeg
Doch vreemde krachten
Namen ons werk.
Nu trachten wij door liedjes te venten
Nog te verdienen een paar centen,
Voor ’s levens onderhoud
En hopen op uw goedertierenheid
In deez’ ook voor den zeeman benarde tijd.
Gedenkt den werklozen Zeeman.
Antwoord wordt persoonlijk afgehaald.

PRIJS NAAR GOEDDUNKEN.

Dit bericht is geplaatst in column, edities met de tags , , . Bookmark de permalink.

5 Responses to Werklozenpoëzie

  1. Henk Scholte schreef:

    HELP !

    In de eenzaamheid der venen
    Van het Drentsche armoe-land,
    Waar de winterkou kan nijpen
    En de zomerhitte brandt,
    Waar geen werk is en geen eten
    En geen menschelijk bestaan,
    Moeten heel veel bleeke stakkers
    Hulpeloos tén onder gaan!

    In hun krotjes weggedoken,
    Menschenschuw en ondervoed,
    Buiten het maatschapp’lijk leven,
    Zonder Hoop en Levensmoedl
    Zien ze voor hun doffe oogen,
    Elken dag, die weer begon,
    Niets dan armoe, veen en honger
    En de wijde horizon! !

    O, de kind’ren, die geboren
    In die grauwe ellende-streek,
    Aarzelend het leven zoeken,
    Dag na dag en week na week,
    Die gedekt door vunze lompen,
    Ergens in de dorre hei,
    Stervend leven, levend sterven
    Ver van alle maatschappij!

    O, de ouders, die geslagen
    En verworden en vergaan
    En verbijsterd en verloren.
    Voor het eindloos leven staan,
    Die de dagen niet meer tellen,
    Waar de dood niet wordt gevreesd
    En die nauw’lijks kunnen bidden
    Met hun uitgedoofden geest!

    Daar wordt nameloos geleden,
    Maand na maand en jaar na jaar,
    Al die menschelijke wrakken
    Hokken klaag’lijk bij elkaar!
    Al die menschelijke wrakken
    Aan den rand der honger-kolk
    Zijn een deel in ziel en wezen
    Van ons Nederlandsche volk!!

    Wat geeft ons de prima gulden
    En ons fier herleefde geld,
    Zoolang al die maag’re stakkers
    Ginds niet veilig zijn gesteld !
    Hier moet hulp en redding komen
    Door ons volk en onzen pop,
    Legt u jaarlijks dan vrijwillig
    f 1 „veenbelasting” op!!!

    Februari 1926. KROES.

  2. DirkJan schreef:

    Ik vraag me af of in het eerste gedicht de spelling ‘vrouiw’ wel een drukfout is. Ik herinner me van vroeger dat oudere mensen weleens vrouw uitspraken als vroi en mevroi. Wellicht komt het uit een bepaald dialect of streek. En als je googelt op ‘vrouiw’ krijg je ook heel veel hits uit oude artikelen en boeken en lijkt het ook geen drukfout. Klik hier voor de Googlelink:

    https://tinyurl.com/y7567e9b

    • DirkJan schreef:

      O, ik zie nu dat in het gedicht ook ergens vrouw en vrouwen zonder i wordt geschreven. Zal het toch een typefout zijn! 🙂

      • R. Gaspar schreef:

        Nee, geen typefout van mij, maar een echte drukfout van F. Rombouts.

        • Mient Adema schreef:

          En hoe zit het dan met “maarschappij”? Zit de bedenker, de drukker of de reproduceerder er weer naast? Ik vermoed een ziekenfondsbrildragende werkloze die naar z’n volgende brouwsel moest. 🙂

Reacties zijn gesloten.