Tijdverlies

Door Michiel de Vaan

tijdverlies zn. ‘tijdverspilling, tijdverlies’

Samenstelling van tijd en verlies. Vroegmiddelnederlands titverlis betekent vooral ‘tijdverspilling, het verdoen van tijd’. Oudste attestatie in Dijn wise wort si sonder fel ende sonder tijtverlies dijn spel (van Maerlant, Spiegel Historiael, Eerste partie, 1283), en ook regelmatig na 1300, bijv. Al haer leven is tijtverlies, bidien haer werken die sijn ries ‘Heel hun leven is tijdverspilling, want hun handelen is lichtzinnig’ (van Boendale, Der leken spieghel, ca. 1340-1360). Verder wordt het woord spottend gebruikt als bijnaam, bijv. in de naam van boswachter Gerardus Titverlis (Elmpt; Meihuizen 1953, p. 11 van de rekening van Gelre, 1294/95), dus min of meer ‘Gerard Treuzelaar’ of ‘Gerard Nietsnut’, en bruder titverlis ende bruder idelere (Limburgse Sermoenen, ca. 1300). Als parallel van laatstgenoemde ‘Broeder Tijdverlies’ wijst Scheepsma 2005: 162 op Bruder Tzijtverluyss uit de Ripuarische (Keulse) tekst Der Boiffen Orde (ca. 1500).

Nieuwnl. bijv. in sulck verhael soude hier schadelicke Tijtverlies, ende onnoodighe pampierquistighe sijn (Simon Stevin, De Thiende, 1585), Tijdt-verlies (is) een groote schade, Niet te verhalen met ghelt noch met goede (van Mander, 1604), Ick sie dat mijn naarstigheyd / en liefde die ick heb gheleyd / op u, mijn uytvercoren, / is tijt-verlies en arrebeydt / in ydel hoop verloren (Bredero, voor 1620).

De samenstelling komt uiteraard ook elders voor. In het Middelhoogduits heeft Suso (1330-1360) het woord zîtverlierende ‘de tijd nutteloos verdoend’, en in het Nieuwhd. is Zeitverlust gangbaar.

Referenties

Meihuizen, L. S. 1953. De rekenening betreffende het graafschap Gelre 1294/1295. Arnhem: Brouwer & zn.

Scheepsma, W. 2005. De Limburgse sermoenen (ca. 1300). De oudste preken in het Nederlands. Amsterdam: Bert Bakker.

Dit bericht is geplaatst in taalkunde met de tags , . Bookmark de permalink.

Één reactie op Tijdverlies

  1. Gerrit van Uitert schreef:

    Is het niet inderdaad tijdverlies om zo’n doorzichtige samenstelling op te nemen in de EWN-Addenda, terwijl veel duisterder woorden als maagschap, middenrif, weerbarstig en welkom nog in de wachtkamer zitten om door dr. De Vaan behandeld te worden? Overigens met veel waardering, Gerrit van Uitert

Laat een reactie achter