‘Het Joodse bruidje’ (1938)

Jeugdverhalen over joden (13)

Door Ewoud Sanders

‘Het Joodse bruidje’ (1938) is geschreven door Ans van der Putten (1898-?). Zij was medewerkster van onder meer de katholieke jeugdtijdschriften De Engelbewaarder, Ons eigen blad en het Weekblaadje voor de Roomsche Jeugd. Zij schreef ook gedichten voor de jeugd, een toneelstuk (De strijd tussen het zonlicht en de maneschijn, 1938) en enkele jeugdboeken.

‘Het joodse bruidje’ verscheen in deel twee van de driedelige reeks Luisteruurtjes. Dit boek werd uitgegeven door N.V. Drukkerij De Spaarnestad in Haarlem en beleefde drie drukken: in 1938, 1955 en 1957.

Uitgebreide samenvatting

Sonja is met haar ouders vanuit Amsterdam naar een klein stadje verhuisd. Sinds enkele maanden zit zij op de enige meisjesschool aldaar: een katholieke school die wordt geleid door nonnen.

Op een dag vertelt zuster Lorenzo dat zij binnenkort zes ‘bruidjes’ zal uitkiezen voor de jaarlijkse H. Sacramentsprocessie die door een grote kloostertuin voert. Ieder bruidje mag een vaantje of palmtak dragen en rozenblaadjes strooien; zij moet witte schoenen, witte handschoenen en een witte haarstrik dragen. ‘Breng vooral een blij hart mee en een reine ziel’, benadrukt zuster Lorenzo. ‘Want, kinderen, Onze Lieve Heer kijkt maar heel even naar je jurk, je hoed en je schoenen. Het meest kijkt Hij naar je hart en je ziel.’

Sonja luistert met ‘grote ogen en kleurtjes op de wangen’. Ze leert op deze school allerlei dingen die ze nog niet allemaal begrijpt. ‘Ze kende Onzen Lieven Heer ook niet zoals Hij in het H. Sacrament bij ons tegenwoordig is. Maar vandaag had de zuster dat zo prachtig uitgelegd.’

Sonja zou ook graag een bruidje willen zijn, maar als zij dit aan enkele klasgenootjes vertelt, zegt er een: ‘Maar jij zult toch niet mee mogen, want jij bent een Jodenkind!’

Hier moet Sonja van huilen. Zij neemt zich voor om nog beter haar best te gaan doen. ‘O, als ik toch een bruidje zou mogen zijn en dicht bij Onzen Lieven Heer in die grote tuin wandelen.’

Sonja’s moeder gaat op school praten en als Sonja even weg is spreekt zuster Lorenzo de klas toe. ‘Kinderen, één van jullie heeft aan Sonja gezegd, dat ze geen bruidje kon zijn omdat ze een Jodenkind is. (…) Maar het meisje, dat het gezegd heeft, zal er wel niet aan gedacht hebben, dat Onze Lieve Heer ook een Jodenkind was. (…) Onze Lieve Heer speelde als kind altijd met Joodse kindertjes, en later, toen Hij een grote man was geworden, bleef Hij ook nog heel veel van de Joden houden. Ook nu houdt Hij nog van Joodse kinderen en ook van Sonja.’

De kinderen luisteren stil en denken: de zuster heeft gelijk. ‘En dat ene meisje dacht: Nooit zal dat meer gebeuren. Ik wil voortaan heel vriendelijk zijn voor dat Joodse kind.’

Een paar dagen later maakt zuster Lorenzo bekend welke meisje bruidje mogen zijn; zij noemt Sonja als eerste. En dus mag Sonja deelnemen aan de processie, ‘met een witte vlinderstrik in haar zwarte krullebol’.

 ‘Ze strooide rozeblaadjes voor Onzen Lieven Heer. Heel eerbiedig. (…) En Jezus alleen wist hoe blij Sonja was, omdat ze nu ook bruidje mocht zijn bij Hem in de processie. Zijn Joodse bruidje!’

Doelgroep en receptie

Volgens een kort voorwoord bevatte Luisteruurtjes ‘vertellingen die zijn aangepast aan de psyche van kinderen van zeven tot negen jaar, zó geschreven en geïnterpuncteerd, dat zij zich gemakkelijk laten voorlezen. Het doel van de schrijfster was, voorleesstof te bieden die het kind boeit; doch tegelijkertijd verschaft zij den voorlezer een genot van hogere orde: taalgenot.’ De uitgever eindigt het voorwoord met een waarschuwing: ‘Laat uw kinderen dit boek niet zelf lezen, maar leest voor. Bereidt uw kinderen het opvoedende luistergenot, waaraan zij later met vreugde terugdenken, en geniet zelf mee.’

Van dit deel van Luisteruurtjes heb ik geen besprekingen gevonden. Het katholieke dagblad De Tijd schreef in 1954, bij een herdruk van het eerste deel: ‘Drukkerij De Spaarnestad te Haarlem heeft zich beijverd om een soort vertelboek voor kinderen van 6 tot 8 jaar te laten samenstellen. Zij heeft Ans van der Putten daartoe bereid gevonden en blijkens het voorwoord heeft het resultaat daarvan de verwachtingen bijkans overtroffen. “Zo prettig en losjes te kunnen vertellen”, zo heet het tenminste, “is een gave Gods.” Wij zijn, eerlijk gezegd, minder enthousiast over het stylistisch vermogen van de schrijfster.’