Gedicht: H.W.J.M. Keuls • twee rondelen

H.W.J.M. Keuls ontving in 1961 de P.C. Hooftprijs voor zijn ernstige en grotendeels zwaarmoedige oeuvre, maar is sindsdien vrijwel vergeten.

Adieu mijn lief, wij moeten scheiden,
Wij hebben zeer elkaar bemind,
Wij waren trouw en goed gezind;
Wat kwam er dan tussen ons beiden?
Een schaduw, die zich uit ging breiden
En langs het raam een vreemde wind;
Adieu mijn lief, wij moeten scheiden.

Nu zijn van tranen, ongeschreide,
De dagen loom en kou begint,
De dood wordt onze beste vrind,
Nu wij geen weerzien meer verbeiden:
Adieu mijn lief, wij moeten scheiden.

*

Eens word ik wat ge nog niet weet:
Een schaduw over uw gelaat,
Een adem, die uw blik beslaat,
Een trilling tussen hart en kleed;
Iets dat ge zoekt en weer vergeet
En dat u toch niet rusten laat;
Eens word ik wat ge nog niet weet.

En als ook gij het pad betreedt,
Dat naar de zwarte stilte gaat,
Dan word ik uw verloren haat,
Uw laatst gemis, uw eind’lijk leed;
Eens word ik wat ge nog niet weet.

H.W.J.M. Keuls (1883-1968)
uit: Rondeelen en kwatrijnen (1942)

———————————–