Eva (1939)

Jeugdverhalen over joden (11)

Door Ewoud Sanders

Omslag van de eerste druk van Eva. Het omslag van de tweede druk is identiek. Illustratie door Rein Stuurman (1900-1984).

Herkomst en drukgeschiedenis

Eva is geschreven door Frouke Bakker (1907-1963). Tussen 1937 en 1941 schreef Bakker, die waarschijnlijk onderwijzeres was, vier jeugdboeken: drie verschenen bij uitgeverij Callenbach en één bij uitgeverij J.M. Bredée in Rotterdam. Hoewel sommige titels een herdruk beleefden, werden ze in de gereformeerde vakpers opvallend kritisch ontvangen. Het lijkt erop dat Bakker na 1941 is gestopt met publiceren, in ieder geval onder haar eigen naam.

Eva verscheen in 1939 bij uitgeverij Callenbach in Nijkerk en beleefde twee drukken. In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk. Najaar 1940 werd het boek nog door Callenbach aangeboden.

Samenvatting

Eva van Dam is twaalf jaar oud en woont in een dorp. Haar vader is overleden en haar moeder heeft een kleine manufactuurwinkel. Eva is klein en tenger, heeft een bleek gezicht met ‘schrandere, donkere kijkers’.
Op de dorpsschool wordt ze gepest: omdat zij zo goed kan leren (‘Het kleine bleke Jodinnetje is verbazend intelligent’), maar vooral ook omdat zij ‘het enige Jodinnetje van de hele school’ is. Kinderen schelden haar uit voor Jodin, voor gemene en vervelende Jodin en voor lelijk Jodinnetje (‘En ze was niet eens lelijk, nee, helemaal niet’). Ze wordt soms ook ‘het zwartje’ genoemd en als de jongens haar op een winterdag bekogelen met sneeuwballen, zingen zij: ‘Isaac die was een Jood, Jacob Slim een hinkepoot.’ Omdat Eva nooit klaagt, heeft haar vriendelijke schoolmeester een en ander niet in de gaten.
Eva heeft geen vrienden op school. ‘Waarom je geen vriendin kon zijn met een Jodenmeisje, dat heeft Eva nooit begrepen. Als ze den Heere Jezus gekend had, zou ze geweten hebben, dat Hij ook een Jood geweest was – maar Dien kende ze niet en dat was jammer. Want nu kon ze ook nooit met haar verdriet naar Hem toe gaan.’
Op een dag komen er nieuwe mensen in het dorp wonen: de rijke familie Van ’t Hof. Eva ontmoet meneer Van ’t Hof toevallig op straat. Zijn vriendelijkheid verbaast haar en verlegen zegt ze tegen hem: ‘Ik ben het Jodenmeisje.’ Thuisgekomen vertelt Van ’t Hof aan zijn vrouw: ‘Ze dacht vast dat ik met den eersten oogopslag niet gezien had, dat ze een Jodinnetje was, dat arme ding. Ze wordt zeker veel geplaagd. Dat schijnt overal in de wereld zo te zijn en op dit dorp ook.’
Niet lang daarna vraagt mevrouw Van ’t Hof Eva op de thee. Eva vertelt haar wat zij op school meemaakt. Mevrouw Van ’t Hof is blij dat zij Eva kan steunen.
Eva en haar moeder wonen bij een onbewaakte spoorwegovergang. Met gevaar voor eigen leven redt Eva daar op een gegeven moment het kleine broertje van een van de pestkoppen uit haar klas.
Meneer Van ’t Hof brengt de schoolmeester op de hoogte van het geplaag. Die schrikt erg. ‘Uitgescholden voor “Jodin”. Hoe is ’t mogelijk! (…) Alsof ’t een schande is, Jood te zijn. Er is op de hele school geen tweede Jodinnetje geloof ik. Toch zijn er wel verschillende families in ons dorp, maar dat zijn rijke zakenmensen en die hebben niet zo gauw plagerijen te vrezen. En hun kinderen gaan naar de stadsschool.’
Terwijl Eva thuis is – zij is bij de reddingsactie lichtgewond geraakt – spreekt de schoolmeester de hele klas streng toe. ‘Wie van jullie gaan ’s Zondags naar de kerk en naar de Zondagsschool?’, vraagt hij. Bijna alle kinderen steken hun hand op. ‘Jullie en ik willen graag in ons leven Jezus liefhebben en dienen. Maar … Hij was óók een Jood. Als Hij nu eens hier in ons midden stond … zouden jullie Hem dan ook uitschelden en naroepen?’
De kinderen nemen zich voor om ‘het dappere Jodinnetje’ nooit meer uit te schelden of te plagen.
Die avond zegt mevrouw Van ’t Hof tegen haar man, over Eva: ‘Het is zo jammer dat zij den goeden Herder niet kent. Hij zou haar zo gelukkig kunnen maken.’ Als meneer Van ’t Hof antwoordt dat Eva Hem misschien eens zal leren kennen, zegt zijn vrouw zachtjes, met een glimlach: ‘Wat zou dat heerlijk zijn.’

Doelgroep en receptie

Volgens uitgeverij Callenbach was Eva geschikt voor meisjes van 10 tot 13 jaar. De Hervormde zondagsscholenbond achtte het geschikt voor meisjes van 12 tot 14 jaar.

Van Eva zijn vier besprekingen aangetroffen: twee positieve en twee negatieve. ‘Een boekje dat jonge lezeresjes zal ontroeren’, schreef De School met den Bijbel in 1939. Het tijdschrift Het Oosten noemde Eva een ‘Leerzaam meisjesboek’.

‘We raden Eva van Frouke Bakker af’, oordeelde het Friesch Dagblad eind 1939. ‘De humanistische strekking, hoe actueel ook een verhaal over de Jodenvervolging is, kan ons niet bevredigen.’

De boekbeoordelingscommissie van de Gereformeerde Zondagsschoolvereniging Jachin schreef: ‘Ongetwijfeld een boeiend verhaal. Jammer, dat we ook van dit boekje moeten zeggen: “oppervlakkig”. Wat lezen we weinig van den eisch tot bekeering. Er wordt ook hier gesproken van liefhebben van Jezus zonder meer.’ Daarom luidde Jachin’s conclusie: voor zondagsscholen ‘hoogstens matig aanbevolen’.