‘De vernuftige rechter’ (1783)

Jeugdverhalen over joden (10)

Door Ewoud Sanders

Het deel van Geschenk voor de jeugd waarin dit verhaal is opgenomen, is opgedragen aan de kinderen van een stadsbestuurder van Den Bosch. Zij worden, in het openingsgedicht, rechtstreeks aangesproken door de samenstellers ervan, de predikanten Ahasverus van den Berg (1733-1807) en J.F. Martinet (1729-1795):

Wij wachten, lieve Floortje!
Wij wachten, lieve Fransje!
Dat gij, allengs bij trappen,
In wijsheid en bekwaamheid;
In deugd en goede zeden:
Tot roem van uwen Schepper;
Tot eer van uwen Godsdienst;
Tot blijdschap van uwe Ouders;
En ook tot ons genoegen:
Gelukkig op moogt groeien.

Diverse andere verhalen in deze bundels zijn overgenomen uit andere talen, waaronder ‘De dankbare jood’ uit 1781. Of ook ‘De vernuftige rechter’ is vertaald, heb ik niet kunnen achterhalen.

Deze geschiedenis is minstens zes keer gepubliceerd, onder verschillende titels en in diverse bewerkingen:

Jaar Titel van het verhaal Gepubliceerd in:
1 1783 De vernuftige rechter Geschenk voor de jeugd
2 1784 De vernuftige rechter Geschenk voor de jeugd
3 1816 De Hoofd-Officier en de Jood Tijdwinst in ledige oogenblikken, of Mengelingen uit de beste schrijvers verzameld, tot een leesboek voor de jeugd
4 1832 De vernuftige regter Aangename en nuttige verhalen voor de jeugd
5 1834 Regtspraak tusschen den rijken jood en den armen steenhouwer Leeuwarder Courant, 11-11-1834
6 1840 De vernuftige regter Aangename en nuttige verhalen voor de jeugd

In de samenvatting is geciteerd uit de oudste vertaling/bewerking.

Samenvatting

Een anonieme ‘rijke jood’ bestelt bij een steenhouwer een wapen voor in de gevel van zijn landhuis. Hij levert er een werktekening bij. Als prijs wordt zevenhonderd gulden afgesproken (wat overeen komt met ongeveer 6.500 euro nu).
De steenhouwer levert keurig werk af. Hij laat zien hij dat een fout van de tekenaar heeft verbeterd, een fout ‘die alles zou verbrod [sic] hebben’.
Vanwege die correctie weigert de ‘schelmachtige jood’ het afgesproken bedrag te betalen. In plaats daarvan biedt hij vijfhonderd gulden.
De steenhouwer (‘een zeer eerlijk man’), beklaagt zich bij de hoofdofficier/rechter (‘een billijk, kloek en regtvaardig man’).
De hoofdofficier bekijkt wapen en tekening en ontbiedt de jood, maar die blijft halsstarrig weigeren om zevenhonderd gulden te betalen omdat de tekening niet nauwkeurig is nagevolgd. ‘De Hoofd-Officier, verdrietig wegens die uitvlugt, en niet minder vertoornd, alzo hij wel begreep, dat de Jood dus tweehonderd guldens zogt te winnen, liet hem weg gaan.’
Een paar dagen daarna laat de hoofdofficier weten dat hij het wapen voor veertienhonderd gulden van de steenhouwer heeft gekocht en dat hij het ‘boven de Steenen Galg der Stad’ gaat laten plaatsen. Hierop spoedt de jood zich naar hem toe en zegt dat hij alsnog het afgesproken bedrag wil betalen.
Nu houdt de rechter echter voet bij stuk: ‘Wat de Jood ook mogt tegenspartelen, hij moest veertienhonderd guldens tellen.’
De man doet dit en de steenhouwer krijgt zijn afgesproken loon. Het verhaal eindigt met deze regels: ‘Hoe ongelukkig kan een eerlijk man worden, die met eenen bedrieger te doen heeft, maar hoe gelukkig is een Land, het welk eerlijke, schrandere en regtvaardige Rechters heeft.’

Verhaalvarianten

In ‘De Hoofd-Officier en de Jood’ (1816) zijn de slotregels geschrapt. Het eindigt nu met de zin: ‘De Steenhouwer kreeg daarop meer dan hij bedongen had’ – de rechter, opgevoerd als een ‘burgervriend’, geeft hem de veertienhonderd gulden.
Een kleine wijziging in ‘De vernuftige regter’ (1832) betreft de karakterisering van het joodse personage: die wordt niet langer een ‘schelmachtige jood’ maar een ‘ondeugende Jood’ genoemd.
In de versie die in 1834 in de Leeuwarder Courant werd afgedrukt, ondergaat het verhaal juist zeer grote wijzigingen. De ‘rijke Jood’ bestelt geen wapen, maar een grafsteen met een Hebreeuws opschrift, waarbij de steenhouwer een kleine, makkelijk te herstellen fout maakt. Over de joodse opdrachtgever komen we te weten dat hij ‘van den Portugeschen Stam’ is en dat hij ‘den heer S.’ heet.
Bedragen worden niet genoemd, maar over de onderhandelingen lezen we: ‘Na uit verschillende Steenhouwers den goedkoopsten werkman te hebben uitgevonden, was met veel omhaal van woorden de grafzerk tot den naasten prijs bedongen.’
De ‘brave ambachtsman, wien het fortuin niet zoo gunstig als aan den Portugees geweest was’, voltooit de grafsteen binnen een paar dagen, maar de heer S. heeft opeens geen haast meer. ‘Hetzij de liefde en teederheid tot den beminden afgestorvenen merkelijk was bekoeld; hetzij door eene daling in de effecten het ruime hart van den rijkaard eenigermate was toegekrompen (…), – er verliepen wel veertien dagen eer de opneming van het werk geschiedde.’
Voor de rechtbank toont de heer S. zich zeer arrogant. De rechter vraagt of hij de zerk wel wil afnemen als de kleine fout wordt hersteld. ‘Even kort beantwoordde de Jood deze vraag ontkennend, er slechts bijvoegende, dat hij een rijk en aanzienlijk man was, die door geen arme Steenhouwer wilde gefokseerd [geforceerd] worden.’
Dat zal ook niet gebeuren, zegt de rechter, waarop hij meedeelt dat hij de steen zelf voor het afgesproken bedrag zal kopen om die bij de poort van het galgenveld te laten plaatsen – iets waartoe hij twee gerechtsdienaren onmiddellijk opdracht geeft.
‘Op dit onverwachte en gruwelijke vonnis, over het kostbaar monument uitgesproken, en dadelijk zonder appel uitvoerbaar verklaard, riep de rijke Portugees met verheffing van stem driemalen om genade, om opheffing van de schrikbarende schande zijner familie aan te doen, nederig smekende de zerk dadelijk in klinkklaar goud den Steenhouwer te mogen betalen.’
Als de rechter hem ook nog veroordeelt tot de proceskosten probeert de rijke jood ‘al ontwijkend en ontduikend’ die kosten te halveren, maar zonder effect.

Onder het verhaal staat: ‘Naar waarheid’.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.