Blindauga: is dat wel Oudnoors?

De afgelopen periode is er op Neerlandistiek een discussie gevoerd over de mogelijke herkomst van de Germaanse term blinn auga in een middeleeuwse Ierse woordenlijst. De drie belangrijkste discussianten geven vandaag ieder een slotwoord. Tot er nieuwe gegevens opduiken beschouwen we de discussie hiermee als gesloten.

Door Gertjan Postma

Hoewel ik blij ben met Peter Schrijvers steun voor de Oudnoorse hypothese over de oorsprong van het woord blinnauga in een Iers glossarium, en hoewel ik de Oudnoorse hypothese de beste kaarten vind hebben, wil ik toch de methodische twijfel nog even in stand houden. Daar zijn twee redenen voor.

De eerste reden is dat deze discussie niet slechts over dit losse woordje gaat, maar tevens over Kerkhofs methodologie. Zoals Schrijver terecht zegt: “Ik had nooit gedacht dat een discussie over het Oudnederlands zou afhangen van de resultaten van een expeditie naar de diepste krochten van de middeleeuws-Ierse filologie.” Of zoals Kerkhof het in een email aan mij uitdrukt: “Want het is juist daar, in de grensgebieden tussen de filologische disciplines, dat we wellicht nog wat onopgemerkte informatie over de vroegste geschiedenis van onze taal mogen verwachten.” Voor het Iers is dit zeker nieuw en bepaald het uitzoeken waard, ook al is het bij Latijnse teksten bekende kost: de toponymie en de naamkunde toegepast op Latijnse teksten zijn altijd al belangrijke hulpdisciplines geweest om onze kennis van historische lagen van onze taal maximaal in de tijd terug te schuiven.

De tweede reden om de methodische twijfel nog even te laten voortduren is dat een hypothese omtrent de oorsprong van de uitdrukking blindauga overtuigender wordt, als deze ook nieuw licht werpt op de interpretatie van de Ierse tekst waaruit zij genomen is, dus nieuwe inzichten oplevert over O’Mulconry’s Glossary, Sanas Cormaic, etc. Laten wij dat proberen. Daarbij nemen we als leidraad de overweging dat er nog geen uitwerking is gegeven aan een mogelijk christelijk verband. Zoals een zekere respondent, genaamd Anton, terecht stelt:

De term ‘blindoog’ in een christelijke context verdient nadere aandacht. Zo lijkt het mij dat het een vriendelijke benaming kan zijn van onbekeerde, beklagenswaardige heidenen. Het Ierse lemma geeft dan de juiste term mee aan een monnik die een [G]ermaan – niet smalend maar wel duidelijk – als blindoog kan aanspreken. In een context van beloning en genezing natuurlijk. Als het lemma oud is en in de 7e [eeuw] was bedoeld voor gebruik bij de [O]udfranken, dan hoefde het in de 11e eeuw voor de [N]oormannen niet te worden gewijzigd.

In deze context is het belangrijk een 19de-eeuws monument te noemen dat in het dorpje Ruthwell in de Schotse regio Galloway in een kerk staat opgesteld: Ruthwell Cross. Het monument is samengesteld uit onderdelen van verschillende ouderdom: een Oudiers kruis van onbekende ouderdom dat bovenop op een stèle, een pilaar met Germaanse runen, is gezet. Die stèle wordt soms als 7de-eeuws gedateerd, maar er zijn ook latere dateringen. Deze pilaar is voor ons van belang.

Het onderste gedeelte stelt Jezus voor die een blinde geneest door modder op zijn ogen te smeren. Dat weten we zo zeker omdat rondom de volgende Latijnse tekst is uitgehouwen: ET PRAETERIENS VIDIt hominem caecum A NATIBITATE ET SAnavit eum ab infiRMItate. (Schapiro 1944: 245). Dit zijn de eerste woorden van het Bijbelverhaal uit Joh 9:1-7, waar Jezus een blindgeborene geneest. Dit verhaal was populair in de vroege middeleeuwen. Hieronymus (~400) verklaart het verhaal metaforisch als de bekering der blinde heidenen. Deze verklaring wordt overgenomen door Isidorus (~600), Beda Venerabilis (~700), en Alcuius (~750, de leermeester van Karel de Grote). We geven de Latijnse tekst (Joh 9, vs 1-2; 6-7) met daarnaast de Statenvertaling.

1 Et præteriens Jesus vidit hominem cæcum a nativitate:

2 et interrogaverunt eum discipuli ejus: Rabbi, quis peccavit, hic, aut parentes ejus, ut cæcus nasceretur?

En voorbijgaande, zag Hij een mens, blind van de geboorte af.

2 En Zijn discipelen vraagden Hem, zeggende: Rabbi, wie heeft er gezondigd, deze, of zijn ouders, dat hij blind zou geboren worden?

6 Hæc cum dixisset, exspuit in terram, et fecit lutum ex sputo, et linivit lutum super oculos ejus,

7 et dixit ei: Vade, lava in natatoria Siloë (quod interpretatur Missus). Abiit ergo, et lavit, et venit videns.

6 Dit gezegd hebbende, spoog Hij op de aarde, en maakte slijk uit dat speeksel, en streek dat slijk op de ogen des blinden;

7 En zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam (hetwelk overgezet wordt: uitgezonden). Hij dan ging heen en wies zich, en kwam ziende.

Jezus smeert dus speeksel op de ogen van de blindgeborene, zendt hem heen naar de vijver van Siloam, en maakt hem zo ziende.

Merk op dat we hier een van de eerste glossen hebben die we kennen: Siloë/Siloam wordt geïnterpreteerd als verwant met Hebr. silo/silw– dat ‘gezonden’ betekent. Zo wordt ook de gelatiniseerde Hebreeuwse naam Silvanus al in een van de oudste glossaria (alweer Hieronymus), verbonden met zenden: de gezondene. Reeds in het Hebreeuws kan siloa zowel ‘waterleiding’ als ‘leiden, voeren, zenden’ betekenen, dus die associatie van Siloa met zenden lijkt geen Ierse vondst. Deze tekst was zowel favoriet in het Germaans (bijv. Tatianus’ Diatesseron in het Oudhoogduits) als in Ierland (bijv. Book of Dimma, f.125 (in het Latijn). Nu weten we niet bij welk(e) manuscript(en) de glossaria met blindauga oorspronkelijk behoorden. Voor glossaria waarbij de glossen de volgorde hebben gehouden van de oorspronkelijke tekst, is het identificeren van de hoofdtekst al moeilijk, maar bij alfabetische glossaria is het een vrijwel kansloze onderneming. Toch willen we een poging wagen. Laten we eerst vaststellen dat het Ierse blind volgens O’Davoren’s glossary ook ‘modder, slijk’ kan betekenen, en zelfs ‘speeksel’.

blind .i. saile ‘modder’, (O’Davoren’s glossary, Stokes p.62).

Dit lemma komt ook voor in O’Mulconry’s glossary: Blind .i. saile mairb. Vertaling: Blind dwz. ‘slijm des doods’. Stokes geeft trouwens ook de betekenis ‘saliva, speeksel’. Modern Iers seile ‘speeksel’. Met andere woorden blindauga kan ook geïnterpreteerd worden als ‘modderoog, slijmoog’, met blind een obscuur Iers woord. Hiervan afgeleid is het zelfsandig naamwoord blinnach ‘slijmerigheid’. Dat komt natuurlijk mooi overeen met het wonderverhaal. Mogelijk was het een glosse bij dit Ierse woord voor modder/slijk in een commentaartekst op Joh 9. Verder bevat O’Mulconry’s glossary het volgende, zeker corrupte, trefwoord.

858. Silua .i. quasi sil-uae lingnos. silon enim grece, lingnum latine. indi dicitur cil ard. ł silua dicitur eo quod lingna in ea nascuntur. ł materiess interpretatur lingnum dictum.

Silua dwz ongeveer sil(?)-uae(?) lingnos(?). Xylon in het Grieks, lignum in het Latijn, en vandaar kiel?-hoog, lees: bos waaruit hout geboren wordt. Timmermateriaal geïnterpreteerd als eerdergenoemd hout’.

Waarschijnlijk zijn hier twee lemma’s samengeklapt. Het eerste stuk is zonder emendatie duister, het tweede stuk is deels helder. Stokes emendeert lingnos tot lingna, maar dat helpt niet echt ter verheldering, behalve dat het de fout om de twee lemma’s samen te klappen, begrijpelijk maakt. Waarom zou je eerst silva ‘bos’ vergelijken met silvae, zijn datiefvorm? En vanwaar dat streepje? Wij emenderen het als volgt:

858a.

Silua

.i. quasi seolta i lunggu

siloa

that is almost ‘sent to pool’ (NI:linn)
‘Siloam dat is ongeveer: gezonden naar de vijver’

858b.

silon

enim grece lingnum latine indi dicitur cil ard

ξυλον

PRT in Grieks hout in het Latijn vanwaar wordt gezegd kiel hoog
‘xylon in het Grieks, lignum in het Latijn, vanwaar de zegswijze: ‘hoge kiel(?)’

Het lijkt erop dat het woord lunggu ‘vijver’ bewust of onbewust is misverstaan tot lingnum ‘hout’ en verbonden is met het volgende lemma: silon < ξυλον ‘hout. Het voorkomen van zowel Siloa als ‘speeksel, sputum’ maakt het aantrekkelijk het glossarium te interpreteren als behorend bij een evangelie-harmonie of bij een commentaar op Johannes. Het maakt het concept blinnauga tot een christelijk concept van de kerstening. En omdat de Franken de eerste Germaanse stam waren die tot het Christendom zijn overgegaan, in ieder geval vóór de Saksen, vóór de Friesen, en zeker vóór de Noren, is het waarschijnlijk dat deze metafoor in het Frankische domein zal zijn ontstaan, en mogelijk overgedragen op de Noren. Dit is dus een mogelijk argument voor de Frankische route. Tenslotte wil ik nog een argument voor Kerkhof’s interpretatie geven. Het betreft een lemma uit een verwant glossarium: het bovengenoemde Sanas Cormaic B 403. Het lemma luidt als volgt:

Gaill

din ainm do sairchlanaib Frangc .i. tribus Galliae

Gaill

PRT de naam voor vrij.geborenen (der) Franken d.w.z. een stam uit Gallië
‘Gall: de naam voor Frankische edelen, d.w.z. een stam uit Gallië’

Ook dit glossarium is slechts overgeleverd in een 15de-eeuws manuscript, maar als we de inhoud vroeg dateren (en dat wordt meestal gedaan), en in dezelfde tijd dateren als het lemma blinnauga, dan hebben we rechtstreekse verwijzing naar de Franken en blijft de mogelijkheid open voor Kerkhof’s Frankische hypothese.

Zoals gezegd: het latere scenario, dat van de Skandinavische ontlening is evenzeer consistent. We situeren de ontlening later, zeg 1000-1400, en op een andere plaats: op de Britse eilanden. En zoals het Engels onnoembaar veel ontleningen aan het Skandiavisch heeft, zo heeft ook het Iers onnoembaar veel aan het Skandinavisch ontleend. Met andere woorden: de Skandinavische theorie kan gemakkelijk meeliften op een theorie die we hoe dan ook nodig hebben en waar overvloedig bewijsmateriaal voor is. We houden verder ook nog de vergelijking van vormen auga = ON auga ≠ Frankisch ōgo in ons achterhoofd (die alleen met hulphypothesen kan worden opgelost), de literaire overwegingen (Noorse kenning), en een vergelijking van de elegantie der theorieën: Hoeveel extra assumpties zijn nodig? Hoe robuust is de theorie? Geeft het zicht op de aard van de ontlening? En zo verder. Ten slotte wil ik ook nog een nadeel van de Skandinavische route noemen. Terwijl Gall ‘Viking’ algemeen is, is de Latinisering tot Gall[e]orum zeldzaam. Voor een discussie, verwijs ik naar O’Corráin (1979). Om een goede vergelijking te vergemakkelijken, vat ik in onderstaand overzicht de verschillen tussen de theorieën samen.

Theorie Frankisch

(Kerkhof)

Skandinavisch

(Postma/Schrijver)

type voorstel nieuw traditioneel
locatie Gallia Britse Eilanden
taal Frankisch (ONF) Noors (ON of MN)
datering 7-10de eeuw 7-14de eeuw
context christelijk heidens?
Gall[e]orum

(gen.pl v. Gallus

inw. van Gallia)

Gall[e]orum = ‘van de Galli’

• extra evidentie:

Gaill din ainm do sairchlanaib Frangc .i. tribus Galliae.

Gall[e]orum

gelatiniseerd Irish Gaill ‘of the Vikings’ bv. innsi Gall (Hebriden)

~ ad insulas Gallorum

(Vita St. Flannani, AD 1165)

frequentie algemeen zeldzaam (3x)
Fonologie

1. aug-/oug-

aug ~ ONF ōg-

+ Middel Ierse hulphypothese

auga = Noors auga

cf. krókauga, kýrauga

2. blinn/blind alternantie via Iers alternantie via Iers
3. auga/o -a ≠ -o (emendatie is nodig) -a = -a
Ontlening uit ONF is uniek geval Noorse ontlening is wijdverbreid in AS en OIers
Laag 1 oorsprong nodig maar onbewijsbaar onafhankelijk van de laag
Literaire analyse
compositum endocentrisch exocentrisch
type woordafleiding kenning
semantisch typisch Noors procedé
parallelle structuur blinnaugo ~ dallsuilech  ja nee
Reden voor ontlening geen ja

Ik laat het aan de lezer om per geval in een hokje een plusje of een minnetje te zetten en dan het geheel te beoordelen. Ik ga de literaire argumenten voor de Skandinavische route niet herhalen. Ik verwijs naar mijn artikel van 18 oktober en naar Schrijvers artikel van gisteren. Wat ik alleen wil nagaan is de schijnbaar voordelige parallelle structuur tussen Kerkhof’s blindaugo en dallsuilich, d.w.z. Adj + Nomen + suffix. De parallelle structuur is door Kerkhof geëmendeerd, hij staat niet in het handschrift. In bovenstaande evaluatietabel lijkt de parallellie te pleiten voor Kerkhof’s voorstel. Maar mij lijkt juist die Germaanse mogelijkheid voor het exocentrisch compositum als bindoog juist een prachtige reden waarom dit Germaanse woord ontleend is. Het Iers moet in zo’n geval morfologie toepassen om deze betekenis tot uitdrukking te brengen; een exocentrisch compositum van de kenning is niet beschikbaar: met andere woorden deze Noorse kenning blinnauga kón niet vertaald worden.

Al met al, als we Ockam’s Razor toepassen en de theorie zo eenvoudig mogelijk willen houden, denk ik dat de Noorse hypothese, hoewel minder spannend voor Nederlanders en Vlamingen, de beste kaarten heeft. Maar het oordeel is aan de lezer.

Literatuur

O’Corráin, Donnchadh (1979) Irish Historical Studies 22, No. 83, 283-323.

Schapiro, Meyer (1944). The Religious Meaning of the Ruthwell Cross. The Art Bulletin 26, 232-245.

 

Dit bericht is geplaatst in column, taalkunde met de tags . Bookmark de permalink.

Één reactie op Blindauga: is dat wel Oudnoors?

  1. Rob Alberts schreef:

    Een interessant betoog.

    Vriendelijke groet,

Laat een reactie achter