Wederwaardigheden bij het editeren: een griezelige urban legend

Door Viorica Van der Roest

Het is alweer een tijdje geleden dat er een aflevering in deze serie is verschenen, maar ter geruststelling, voor degenen die op de hoogte zijn van de duistere urban legend over de Parthonopeus: geen zorgen, ik verkeer nog in goede gezondheid. Voor alle andere lezers zal ik uitleggen wat die urban legend inhoudt: Parthonopeus-editeurs vinden vaak nogal wat obstakels op hun pad, waardoor hun editie er uiteindelijk meestal niet komt. Zeer regelmatig gaat het zelfs om het ultieme obstakel: de dood (denk er zelf even de aanzwellende griezelmuziek bij). Dat geldt voor de Oudfranse Partonopeus de Blois én de Middelnederlandse Parthonopeus van Bloys. Nu klinkt het nogal ongeloofwaardig als ik het zo zeg, maar ik zal de feiten eens opsommen.

Net als de meeste teksten uit de Middeleeuwen was de Oudfranse Partonopeus de Blois aan het begin van de negentiende eeuw weggezakt in vergetelheid. Maar toen ontstond er onder geleerden een ernorme belangstelling voor middeleeuwse teksten; ze werden opgediept, opgepoetst en in ere hersteld. Het meest succesvol gebeurde dat in Frankrijk natuurlijk met de romans van Chrétien de Troyes. Voor de Partonopeus de Blois begon het ook veelbelovend: al in 1834 verscheen er een volledige editie van één handschrift van de roman. Maar toen! 

De Duitse geleerde Edmund Stengel maakte rond 1898 serieuze plannen voor een nieuwe editie van de Oudfranse Partonopeus de Blois. De uitgave van 1834 betrof namelijk een handschrift dat nogal apart stond van de rest van de handschrifttraditie en gaf dus geen goed beeld van de roman zoals die onder het middeleeuwse publiek algemeen bekend was geweest. Om onbekende redenen kwam die editie van Stengel er echter nooit. Joseph Bédier en Gaston Paris besloten in 1902 om dan maar de handschoen op te pakken, maar Gaston Paris overleed in 1903 en het plan werd afgeblazen. Door het gebrek aan een goede editie werd de Partonopeus de Blois in het onderzoek inmiddels links en rechts ingehaald door andere Oudfranse romans. Tot op de dag van vandaag wordt er daardoor in de Romanistiek veel minder aandacht aan de Partonopeus besteed dan aan andere teksten van vergelijkbare kwaliteit.

In de jaren twintig deed de Amerikaan Leon Perdue Smith onderzoek naar de roman; hij bereidde daarbij ook een editie voor. Intussen kondigde in 1941 ene Henri Martin ook een editie in voorbereiding aan, die er echter nooit gekomen is. De editie van Smith liet inmiddels op zich wachten, maar werd eind jaren zestig alsnog uitgegeven door Joseph Gildea. In 2005 verscheen er eindelijk een nieuwe, moderne editie, maar de editeur, Félix Lecoy, maakte het zelf niet meer mee, want hij was al in 1997 overleden. Zijn project werd afgemaakt door andere onderzoekers.

En dan de situatie rond de Middelnederlandse Parthonopeus. Zoals ik in aflevering 3 van deze serie al vertelde, overleed Ferdinand Deycks middenin zijn werkzaamheden aan wat de eerste volledige editie van de Parthonopeus van Bloys had moeten worden. Zijn weduwe besloot het werk af te laten maken door de Luikse hoogleraar Bormans. Deze maakte weliswaar de editie af, maar het resultaat is geen aanwinst voor de wetenschap (daarover in latere afleveringen meer). Anton Van Berkum gaf uit onvrede met de editie Bormans daarom in 1897 een editie van de eerste duizend verzen van de roman uit; het was de bedoeling dat in de jaren daarna ook de overige ongeveer achtduizend verzen zouden volgen. En toen werd het stil rond de Parthonopeus van Bloys, heel stil. Toen ik begon met mijn project, werd me van verschillende kanten verteld dat het meestal niet goed afliep met Partonopeus-editeurs. Algemeen werd daarbij aangenomen dat ook Van Berkum overleden was voor hij de editie kon afmaken, alhoewel niemand er het fijne van wist.

Ik tel in het voorgaande maar liefst zes nooit voltooide editieprojecten en drie, misschien vier overleden editeurs in krap honderd jaar tijd. U begrijpt, ik ben niet bijgelovig, want anders was ik nooit aan die editie begonnen.

Maar wat is er nu eigenlijk gebeurd met Van Berkum rond 1900? Een eerste zoektocht via Google maakte het eerst alleen maar geheimzinniger, want volgens Worldcat leeft hij nog steeds! Dan zou de beste man inmiddels wel zo rond de 160 moeten zijn. Worldcat heeft echter bewijs voor deze gedurfde bewering, want in 1988 kwam er nog een vertaling van een Duits boek over Benedictus uit waar Anton Van Berkum (1858-    ) aan heeft meegewerkt. Bij nader inzien berust deze bibliografische verwijzing misschien toch op een misverstand, want na nog wat verder zoeken vond ik de overlijdensadvertentie van dr. Anton van Berkum. Hij overleed niet rond 1900, maar pas in 1937, 78 jaar oud. Een waarschijnlijker verklaring voor het staken van zijn editiewerkzaamheden is dan ook dat hij er, als leraar aan het stedelijk gymnasium te Nijmegen, simpelweg geen tijd meer voor had.

En die andere gestorven editeurs? Gaston Paris was 64 toen hij overleed, Ferdinand Deycks 65, best een nette leeftijd voor negentiende-eeuwers. Félix Lecoy werd zelfs 94. Toen zij aan hun projecten begonnen, waren het dus al oude mannen. Gelukkig ben ik noch oud, noch een man. En ik beloof dat ik extra voorzichtig zal zijn met oversteken.

Vorige afleveringen in deze serie: -1-  -2-  -3-  -4-  -5-

 

 

Afbeelding raven: © User:Colin / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=48615973

Dit bericht is geplaatst in edities met de tags , , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter