Houden ‘Conversation superstars’ zich aan gespreksnormen? (4/7)

Door Lucas Seuren

De wereld is vol adviesboeken over hoe je een goed gesprek kunt voeren. Dit is met name handig voor de mensen onder ons die moeite hebben om met vage kennissen of wildvreemden een gesprek te voeren. Maar wat me keer op keer opvalt is dat veel van die adviezen loodrecht staan op de praktijk; daarmee wil ik niet zeggen dat het slechte adviezen zijn—al zitten die er zeker tussen—maar ze zijn niet per se karakteristiek voor een goed gesprek. Het zijn adviezen om aardig gevonden te worden. Ik zal in een korte reeks wekelijkse artikelen zeven adviezen onder de loep nemen, waarbij ik ze vergelijk met de dagelijkse praktijk. Vandaag: dring je mening niet op.

Stellingen?

Dat thema behoeft waarschijnlijk enige toelichting. De tip komt van een etiquette-expert, genaamd Daniel Post Senning. Wat hij bedoelt is het volgende. Als je in een gesprek je mening verkondigt zoals “PSV maakt geen schijn van kans,” dan moet je dat opvolgen met een uitnodiging aan de rest om hun mening te geven: “Hoe denk jij/denken jullie daarover?” Als je dat niet doet ben je namelijk een pestkop die zijn mening opdringt in het gesprek.

Dat lijkt een vrij sociale tip te zijn; als je met onbekenden in gesprek bent wil je ruimte hebben om over onderwerpen te praten. Dat betekent dat je niet zomaar de deur in het slot kunt gooien, en dat zou een stelling als “PSV maakt geen schijn van kans” doen, doordat het een mededelende zin is zonder enige afzwakking als “denk ik”.

Praktijk

Stellingen komen alleen niet in een isolement voor. Ze worden gedaan ergens in een bepaalde gespreksomgeving; wie op een groepje vreemden af stapt op een willekeurige avond en zegt “PSV maakt geen schijn van kans” krijgt ongetwijfeld wat rare blikken op zich gericht – doe het eens voor de grap met een groep vrienden en kijk wat er gebeurt. Maar dit is natuurlijk niet omdat je je mening opdringt, maar omdat je zonder enige aanleiding je mening verkondigt.

We mogen dus aannemen dat als je je mening verkondigt, dat op de een of andere manier relevant is om te doen. Je hebt bijvoorbeeld een gesprek over voetbal en het onderwerp is de aankomende Champions League-wedstrijd tussen PSV en Tottenham Hotspur. Nu zijn we in een situatie waarin je in ieder geval niet als een malloot wordt behandeld, simpelweg omdat je een mening over de kansen van PSV geeft. Maar dring je daarmee ook je mening op?

Aangrenzende paren

Stellingen zijn, net zoals veel andere taalhandelingen, geen losse flodders. Wie in een gesprek zit doet continu taalhandelingen die ofwel om een reactie vragen, ofwel een reactie zijn – veel handelingen zijn tot op zekere hoogte beide. Als je bijvoorbeeld een vraag stelt, dan nodig je daarmee iemand of een groep iemanden uit om te reageren. Als je daarentegen de persoon bent die antwoord geeft, dan geef je die reactie. In de conversatieanalyse heet dit aangrenzende paren; veel taalhandelingen zijn onderdeel van zo’n paar: vragen horen bij antwoorden, wederbegroetingen bij begroetingen, inwilligingen bij uitnodigingen, etc.

Voor stellingen geldt dus hetzelfde: wie een stelling doet nodigt de ander uit om op die stelling te reageren door ook een stelling te doen. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat het mooi weer is en dan zal iemand anders zeggen dat het inderdaad prachtig is – of juist niet; niemand zegt dat je het eens moet zijn. Als je dus zegt “PSV maakt geen schijn van kans” nodig je anderen door het doen van die handeling al uit om erop te reageren. Het is dus zeker niet zo dat je je mening opdringt, of zoals Senning het noemt, een conversational bully bent.

Ik denk

Waar het mogelijk nog wel schuurt is de manier waarop je je mening verkondigt. Een uitspraak als “PSV maakt geen schijn van kans” is inderdaad vrij stellig, en bij een thuiswedstrijd tegen Tottenham misschien zelfs te stellig. Maar als PSV uit tegen Inter Milaan of Barcelona speelt is het niet heel vreemd om te verwachten dat PSV er kansloos af gaat (getuige ook de 4-0 Nederland uit tegen Barcelona).

Bovendien hebben stellingen nog een belangrijke sociale rol. We zoeken vaak overeenstemming en we doen dus ook stellingen waar we het met elkaar eens kunnen zijn. Daarnaast doen we stellingen op een manier die aansluit bij wat we denken te weten van de wensen, dromen, en ideeën van onze gesprekspartners. In een gesprek met vreemden weten we natuurlijk weinig, maar als je wilt dat anderen ook hun mening geven kan je ook zeggen “Volgens mij” of “Ik denk dat.” Met name “ik denk” komt continu voor in alledaagse gesprekken – ik ben ze niet gaan turven, maar ik kom in discussies tussen medici bijna geen stelling tegen zonder.

Zinloos

Wie dus op een feestje met vreemden is en zijn of haar mening wil geven binnen het lopende topic kan zich de moeite besparen van een vervolgvraag. Gespreksdeelnemers zijn veelal competente sprekers binnen de taal en snappen dat een mening uitnodigt to overeenstemming of discussie, daar hebben ze geen vraag voor nodig. Je kunt misschien je mening wat voorzichtig formuleren, maar dat is een vrij zinloos advies om te geven, want dan adviseer ik mensen om iets te doen wat ze toch wel doen. Het is leuk als ik daarvoor betaald kan worden, maar dat voelt toch een beetje als bedrog.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter