Houden ‘Conversation superstars’ zich aan gespreksnormen? (3/7)

Door Lucas Seuren

De wereld is vol adviesboeken over hoe je een goed gesprek kunt voeren. Dit is met name handig voor de mensen onder ons die moeite hebben om met vage kennissen of wildvreemden een gesprek te voeren. Maar wat me keer op keer opvalt is dat veel van die adviezen loodrecht staan op de praktijk; daarmee wil ik niet zeggen dat het slechte adviezen zijn—al zitten die er zeker tussen—maar ze zijn niet per se karakteristiek voor een goed gesprek. Het zijn adviezen om aardig gevonden te worden. Ik zal in een korte reeks wekelijkse artikelen zeven adviezen onder de loep nemen, waarbij ik ze vergelijk met de dagelijkse praktijk. Vandaag: stel vragen.

Beurtwisseling

In een gesprek heeft veelal iedereen wel wat te vertellen, en dat doen we graag. De reden waarom wordt nog onderzocht, maar duidelijk is dat we het allemaal prettig vinden om over onszelf te vertellen. Wie goed wil overkomen doet er dus slim aan om veel ruimte te creëren voor gesprekspartners om over zichzelf te vertellen. Dat gaat weliswaar in tegen onze drang om zelf te praten, maar je kunt het zien als een langetermijninvestering.

Maar hoe zorg je dat gesprekspartners veel aan het woord zijn? In gesprekken werken we namelijk met een beurtwisselingssysteem dat we hebben ontwikkeld om te zorgen dat we niet (veel) tegelijkertijd praten en er niet veel stiltes vallen. Dit systeem kenmerkt zich door een continue wisseling van beurten: na elke beurt van spreker A is spreker B aan de beurt, en vice versa. De inhoud van die beurten ligt bovendien niet vast. B dient te reageren op A, maar is helemaal vrij in hoe hij of zij dat doet. B kan dus reageren op een verhaal van A met een eigen verhaal. A kan ook besluiten minimaal te reageren, met als gevolg dat B vooral aan het woord is.

Vragen

Dit is waar vragen om de hoek komen kijken. Wie een vraag stelt, neemt in zekere zin de organisatorische controle over het gesprek, maar geeft de ander veel inhoudelijke vrijheid. In zekere zin maak je door vragen te stellen optimaal gebruik van het beurtwisselingssysteem. Dit werkt als volgt. A stelt een vraag en geeft daarmee de beurt aan B. B geeft in zijn of haar beurt antwoord op de vraag, waarna A weer aan de beurt is. Op dat punt kan A doorvragen, waarna B weer in de positie is om over zichzelf te vertellen.

A bepaalt dus wat er gebeurt, maar B is degene die over zichzelf praat. Dat is waarschijnlijk een belangrijke reden dat mensen die vragen stellen als prettige gesprekspartner worden ervaren; de ander kan veel over zichzelf vertellen en houdt een goed gevoel over aan het gesprek.

De crux zit hem daarbij natuurlijk in het stellen van slimme vragen, vragen die ervoor zorgen dat de ander ruimte krijgt om te vertellen. Stel je zit in het begin van een gesprek, vlak na de hallo’s en een eventueel voorstelrondje. Als je niks van de ander weet, is het lastig om een goede vraag te stellen. Je wilt dus een vraag stellen die volledig open is, geen voorkennis veronderstelt, en mogelijk veel gespreksstof biedt. Grammaticaal gesloten vragen—vraagzinnen met de persoonsvorm vooraan, zoals “heb je een leuke avond?”—zijn om die reden vaak lastig. De ander kan reageren met alleen ja of nee, waarna de beurt weer overgaat. Juist vraagwoorden—wie, wat, hoe, etc.—en open onderwerpen zijn dus gewenst.

Als de ander eenmaal aan het vertellen is, is het vooral ook zaak om door te vragen. Goede gesprekken worden veelal gekenmerkt door onderwerpen die in elkaar overvloeien. Je moet dus niet met elke vraag over iets nieuws beginnen, simpelweg om maar vragen te kunnen stellen. Het voordeel is dat wie continu moet nadenken over wat hij of zij kan vragen, zeer aandachtig moet luisteren. Je toont dus aan dat je geïnteresseerd bent.

Ondervragen

Dit alles wil natuurlijk niet zeggen dat je continu maar vragen moet stellen. Er zijn maar weinig situaties die zich kenmerken door continue vraag-antwoordsequenties—nieuwsinterviews, ondervragingen, e.d. Bovendien, als de kortetermijneffecten van over jezelf praten goed zijn op de lange termijn voor sociale relaties, is het cruciaal dat alle gespreksdeelnemers ruimte krijgen om over zichzelf te praten. Het is dus zeker niet zo dat je niet aan het woord mag zijn. Maar wie een gesprek op gang wil krijgen, wie stiltes wil doorbreken, moet niet continu nadenken of hij of zij zelf wat kan vertellen, maar uitzoeken wat de ander te vertellen kan hebben.

Dit alles is natuurlijk een taktiek voor een specifiek soort gesprekken. De meeste alledaagse gesprekken zitten niet vol vragen, en worden gekenmerkt door een vloeiende overgang van beurten waarin beide partijen over zichzelf kunnen praten. Een goed gesprek met vrienden heeft minder vragen nodig, omdat we in die situaties elkaar kennen en dus veel beter in staat zijn adequaat op elkaar te reageren. Dat we interessant zijn staat daarin niet meer ter discussie. Maar wie dus op een feestje of eerste afspraakje een gesprek op gang wil krijgen en goed wil overkomen, die doet er slim aan om meester te worden over de vraag.