‘Het kan tot haar eeuwig voordeel zijn, dat ze hier is gekomen’

Jeugdverhalen over joden (9)

Door Ewoud Sanders

 Herkomst en drukgeschiedenis

Omslag van de eerste druk van Het vreemde zusje.

Het vreemde zusje is geschreven door Aart Duyser (1908-1981). Duyser debuteerde in 1936 als kinderboekenschrijver met Van Hippeltje en Janneman, dat verscheen bij uitgeverij W.D. Meinema in Delft. In de decennia daarna schreef hij ruim twintig jeugdboeken.

Het vreemde zusje verscheen bij uitgeverij Jan Haan in Groningen en beleefde twee drukken: in 1947 en 1953. In de samenvatting is geciteerd uit de eerste druk.

Samenvatting

Hester is zes jaar als zij door het verzet naar een onderduikadres wordt gebracht: boerderij ’t Zandhuus van de gereformeerde familie Scheltink, ergens op het platteland. Hester is enig kind en haar ouders zijn door de Duitsers meegenomen toen zij niet thuis was.

Het gezin Scheltink heeft een tienjarige zoon, Gert-Jan. Ook hij is enig kind en hij verlangde altijd al naar een broertje of zusje.

‘Wij hebben ’t kwaad onder de Duitsers’, zegt vader Scheltink tegen Gert-Jan, ‘maar de Joden hebben het nog veel en veel erger; alleen omdat ze Jood zijn, mogen ze niet blijven leven.’

Hester, op de eerste nacht in haar nieuwe huis. Illustratie door Hein Kray (1901-1995).

Gert-Jan voelt veel sympathie voor de joden. ‘Dat de Joden door de Duitsers vervolgd werden, ja, dat wist hij wel. De meester op school bad bijna elke dag voor hen en ook had hij er van verteld onder de bijbelles.’

Hester heeft een smal bleek gezicht, gitzwart krulhaar en grote donkere ogen. Van vader en moeder Scheltink krijgt zij een nieuwe naam: Hettie.

De eerste maanden heeft Hettie veel heimwee. Met haar ouders woonde zij in een groot huis in de stad, met hoge trappen, lichte kamers en een mooie speelkamer. Nu slaapt zij op de zolder van de boerderij, net als Gert-Jan. Gelukkig kunnen zij het goed met elkaar vinden. Gert-Jan houdt al snel veel van zijn ‘vreemde zusje’ en bidt voor haar welzijn. ‘Heere Jezus, maak Gij toch, dat Hettie weer blij kan zijn en geef toch, dat de Duitsers haar nooit vinden.’

Op een dag komen twee Duitse soldaten op de boerderij om een paard voor de weermacht te vorderen. Hettie is heel bang maar moeder troost haar: ‘Zullen we samen bidden, Hettie. Zullen we vragen aan de Heere, of Hij je bewaren wil, of Hij wil maken, dat je bij ons kan blijven?’

Niet lang daarna krijgt Hettie nieuws over haar ouders. Die zijn naar Westerbork gebracht. ‘De mensen, Joden waren het allemaal, hadden het daar erg slecht. Ze werden geschopt en geslagen en eten kregen ze bijna niet. In dat kamp was de moeder van Hettie gestorven.’ Hetties vader is met de trein naar Polen gedeporteerd en moeder Scheltink weet zeker: ‘Als die man naar Polen is gebracht, komt hij nooit, nooit terug.’

Vader Scheltink ziet een lichtpunt: ‘Als God eenmaal een einde maakt aan deze verschrikkelijke oorlog, zal er wel niemand meer zijn, die haar zal opeisen. Ze is voortaan ons kind, voor altijd. Als God ’t wil, blijft ze bij ons. Niemand weet dat, maar misschien is het voor het bestwil van het kind. Toen ze hier kwam, had ze de naam van den Heere Jezus zelfs nooit gehoord en wij worden nu door God wellicht gebruikt om dit kind te leren, dat Hij ook voor haar zonden op deze wereld is gekomen. Ook dit Jodenkind kan alleen door het bloed van den Heere Jezus gereinigd worden. Zo moeten we het ook eens bekijken, vrouw; als God dit kind wil maken tot een schaapje van Zijn grote kudde, kan het tot haar eeuwig voordeel zijn, dat ze hier is gekomen.’

Later komen de Duitse soldaten terug naar de boerderij, maar dankzij een list van de dappere Gert-Jan is het ‘verborgen jodenkind’ op dat moment ergens anders. Vader, moeder en Gert-Jan danken God voor deze redding.

Gert-Jan vraagt aan zijn moeder: ‘Mag Hettie nu altijd op “’t Zandhuus” blijven, ook na de oorlog?” Moeder: ‘Ja, m’n jongen, als God haar ’t leven spaart, altijd.’

Doelgroep en receptie

Onze hervormde zondagsschool achtte Het vreemde zusje in 1947 geschikt voor jongens en meisjes van 10 tot 12 jaar. In 1953, bij het verschijnen van de tweede druk, typeerde de Zondagsscholenbond Het vreemde zusje als een boek voor meisjes van circa 10 tot 14 jaar.

Van Het vreemde zusje heb ik vier besprekingen gevonden. ‘Een Jodenkind wordt in de bezettingstijd door een boerengezin liefderijk opgenomen. (…) God helpt in nood. Deze waarheid wordt er in beleden’, schreef Onze hervormde zondagsschool in 1947. Het boekje werd warm aanbevolen.

Bij de tweede druk, in 1953, kwam Onze hervormde zondagsschool tot hetzelfde eindoordeel, nu met als onderbouwing: ‘Het is goed voor de kinderen van thans, dat zij lezen wat er in de oorlogstijd is meegemaakt en de Heere vaak wonderlijke uitredding gaf. Verantwoord christelijk boekje.’

De IDIL-gids voor jeugdlectuur noemde Het vreemde zusje in 1953 ‘boeiend en verantwoord’. Bovendien had het boek een ‘prettige verteltoon en eenvoudige plaatjes’. Het Eilanden-nieuws. Christelijk streekblad op gereformeerde grondslag noemde het in 1953 ‘een prachtig geschreven verhaal dat we warm aanbevelen’.

Portret van Aart Duyser

 

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.