Het Joodje (1923)

Jeugdverhalen over joden (7)

Door Ewoud Sanders

Omslag van Het Joodje. Illustratie door M. Smits van Burgst.

Herkomst en drukgeschiedenis

Het Joodje is geschreven door W.J.C. Blomberg-Zeeman (1877-1950). Tussen 1914 en 1939 schreef zij ruim dertig protestantse jeugdboeken. Het ging voornamelijk om zondagsschoolboekjes met titels als Hij zorgt voor u; Verwende Ben en Tom’s kerstfeest in Nederland.

Blomberg-Zeeman schreef ook voor Vrij en blij, christelijk tijdschrift voor jongens en meisjes en voor Jong Nederland, weekblad voor Hollandsche jongens en meisjes. Het Algemeen Handelsblad vermeldde in 1950 in een kort bericht: ‘Te Haarlem is in de ouderdom van 72 jaar mevr. wed. W. J. C. Blomberg-Zeeman overleden, die als schrijfster over godsdienstige onderwerpen – ook in onze rubriek “De Zondagmorgen” voor 1940 – een goede naam heeft verworven en zich in de Remonstrantse Gemeente van haar woonplaats in allerlei qualiteiten, o.a. als kerkeraadslid, bijzonder verdienstelijk heeft gemaakt.’

Het Joodje verscheen eind 1923 bij uitgeverij H. ten Brink in Arnhem in de ‘Nieuwe Zondagsschool-Serie’ en beleefde één druk. In 1931 werd dit boekje in prijs opgeheven.

Samenvatting

Bram Lijnzaad is tien jaar en woont met zijn ouders en zusje Rebecca in de Jordaan in Amsterdam. Hij heeft gitzwarte ogen en is klein van stuk. Brams vader heeft een kleine manufactuurwinkel. Op maandag en zaterdagavond staan vader en zoon met een kraam op de markt. Zij verkopen zijden linten en in de zomer strohoeden. Vader Lijnzaad is ‘een koopman in hart en nieren. Altijd vroeg bij de pinken en steeds op post, als er wat te verdienen viel’.
Bram kan het goed vinden met jongens op een ‘rijkeluischool’ in de buurt van de markt. ‘Er waren ook wel jongens, die Bram uitscholden voor “leelijke Jood”, maar dan was er dadelijk een andere partij geweest, die het voor Bram opnam. Hij kon toch zeker niet helpen, dat hij een jood was. En leelijk was hij heelemaal niet.’
In de zomervakantie gaan de jongens kamperen in Zandvoort. Bram zoekt ze op. Uit een van de tenten wordt een zilveren horloge gestolen. Even wordt Bram (‘het joden-jog’) van deze diefstal verdacht.
Het ‘kleine joodje’ is daar zeer verontwaardigd over. ‘Al was je nu maar een arme jongen, daarom hoefde je geen dief te zijn. ’t Stond in de Wet, dat je niet stelen mocht. Zouden Christenen soms denken, dat joden stelen mogen?’
Brams vader is nog veel bozer. Tegen een van de schoolmeesters zegt hij: ‘Omdat jullie rijkelui benne, denk je zeker, dat mijn arme jongen dat gegapt heb. Wij zijn maar joden hè? Maar ik bezweer je, dat mijn jongen zoo eerlijk is als de beste Christen.’
Gelukkig biedt de grootvader van een de schooljongens, een kantonrechter, aan om de zaak te onderzoeken. Vader Lijnzaad is verbaasd over dit aanbod. Hij is gewend dat hij door christenen wordt uitgescholden. Maar de kantonrechter zegt: ‘Christus is mijn Meester en hij gebiedt mij, dat ik God moet liefhebben bovenal en mijn naasten als mij zelven.’
De kantonrechter toont al snel aan dat niet Bram de dief is, maar Toon, een ‘leeglooper van het eerste soort’. Toon bekent en de edelmoedige kantonrechter helpt hem vervolgens aan een plaats in een opvoedingsgesticht.
Als de kantonrechter Toon daar met kerst komt opzoeken, vertelt hij aan alle jongens in het gesticht een verhaal. Het gaat over ‘een klein joodje, dat beschimpt werd door Christenjongens’, maar ‘het kleine joodje was eerlijker dan menige Christenjongen’.
De kantonrechter besluit met de woorden: ‘Jongens, beschimpt en bespot nooit een jood. Vergeet nooit, dat onze Heiland ook een jood was. Toont aan de joden, wiens volgelingen wij zijn.’

Doelgroep en receptie

Volgens uitgeverij Ten Brink was Het Joodje geschikt voor jongens van 10 tot 12 jaar; de Bibliotheekgids voor Christelijke School- en Jeugdbibliotheken (1930) beval het aan voor jongens van 9 tot 12.

Van Het Joodje heb ik twee besprekingen gevonden. ‘Een bizonder aantrekkelijk boekje, over een orthodox-Jodengezin, waarin eerlijke menschen zijn’, schreef Bouwen en bewaren. Orgaan van den bond van meisjes-vereenigingen op gereformeerden grondslag in Nederland eind 1923. ‘De leelijke gewoonte om altijd Joden uit te schelden, wordt hier o.i. terecht scherp afgekeurd. De wijze van vertellen is ongezocht en boeiend. Het hoofdstuk “Einde” maakt de ontknooping te mooi, was beter m.i. achterwege gebleven, dan kwam het verhaal meer overeen met het dagelijksche leven. Verder ’n pracht-boekje.’

‘Op kinderlijke wijze’, oordeelde G. Dick in 1930 in de Bibliotheekgids voor Christelijke School- en Jeugdbibliotheken, ‘schetst de schrijfster de vriendschap tusschen Christenjongens en een Jodenjongetje. (…) Het verhaal laat zich prettig lezen. Ook ’t bezoek aan het opvoedingsgesticht voor jongens, waarin de jeugdige dief (…) is geplaatst, is interessant voor onze leesgrage jeugd beschreven. Aanbevolen.’

Dit bericht is geplaatst in column met de tags , . Bookmark de permalink.