Grote opdrachten 2: Autonome taalgebruikers werken hun leven lang aan hun taallerend vermogen

Door Marc van Oostendorp

De komende weken bespreek ik de ‘grote opdrachten’, de lijnen die de docenten van Curriculum.nu zien in het onderwijs Nederlands van de toekomst. Het zijn er zeven, vandaag bespreek ik de tweede:

  • Autonome taalgebruikers werken hun leven lang aan hun taallerend vermogen.

Het goede aan deze ‘grote opdracht’ is dat de taal niet wordt gezien als een statisch feit. Je kunt in onze huidige tijd niet verwachten dat kinderen op school een aantal regels uit hun hoofd leren (zo schrijf ik een nette brief: hier moet de aanhef staan, zo moet de ondertekening eruit zien) als over een aantal jaar niemand meer brieven schrijft, maar moet solliciteren met een video.

Je leert op school hopelijk niet vooral dingen die de komende een paar jaar nog nuttig zijn, maar dingen waarmee je je je leven vooruit kunt. En dus moet je flexibel zijn, en dus moet je bereid zijn voortdurend te veranderen. 

Frustratie

Ik zou iets minder de nadruk hebben gelegd op het ‘leren’ in de formulering van de opdracht. Bovendien staat er in de huidige tekst strikt genomen niet alleen dat mensen hun hele leven moeten leren, maar dat ze aan hun vermogen om te leren moeten blijven werken. Dat is wel erg hoog gegrepen. Omdat ik ook niet zo goed weet wat de betekenis is van het woord ‘autonoom’ in deze formulering, lijkt het me handig de opdracht te vereenvoudigen tot:

  • Taalgebruikers blijven hun hele leven flexibel in hun taal.

Een mooi aspect van taal als instrument is dat het zo flexibel is: je kunt het aan allerlei situaties aanpassen, ook aan situaties die volkomen nieuw zijn. Precies dat aspect maakt taal ook lastig voor sommige mensen: vanaf een bepaalde leeftijd word je af en toe geconfronteerd met taal die je niet gewend bent en dat voelt al snel als naar, als verloedering. Omdat je tegelijkertijd niets aan die voortdurende veranderlijkheid van de taal kunt doen, die is nu eenmaal geheel en al buiten de controle van de mens, is dat een recept voor frustratie. Je krijgt onherroepelijk het gevoel dat het allemaal naar de ratsmodee gaat. Dus kun je mensen maar beter leren om die flexibiliteit naar hun hand te zetten.

Het menselijkste van alle instrumenten

Wat is er nodig om zo’n flexibele taalgebruiker te worden? Volgens mij in de eerste plaats: kennis. Hoe je een sollicitatiebrief moet schrijven die anno 1998 door bedrijven wordt geaccepteerd valt wel in een aantal vuistregels uit te leggen, maar om een echt flexibele taalgebruiker te zijn moet je begrijpen hoe taal in elkaar zit, wat er werkt. En wat niet. Alleen door een wat fundamenteler begrip te hebben van je instrument, kun je dat instrument voortdurend, en een leven lang blijven inzetten in een almaar veranderend concert (waarvan niemand een program heeft).

Dat biedt ook kansen voor integratie van wetenschappelijke inzichten in het onderwijs, want daar komt het beste inzicht in wat taal is, hoe taal in elkaar zit en hoe taal werkt, natuurlijk vandaan. Een deel van het leven van iedere taalgebruiker gaat bijvoorbeeld op aan onderhandelingen over normen – is het wel gepast om dit of dat in deze omstandigheden te zeggen? Is het zo wel duidelijk? Storen mensen zich niet aan deze of gene vorm? Zo’n gesprek kun je alleen vormen als je  inzicht hebt in de structuur van taal en van taalgebruik.

Om deze grote opdracht uit te voeren moeten scholen hun leerlingen daarom een goede bagage aan kennis meegeven – inzichten waarmee ze de rest van hun leven aan hun taal kunnen blijven sleutelen. De aangeboden kennis is natuurlijk anders van aard op de basisschool dan op de middelbare school, anders op het vmbo dan op het vwo – maar zonder een beetje begrip in het menselijkste van alle instrumenten, de taal, kunnen we niet verwachten dat mensen hun hele leven al dan niet ‘autonome’ taalgebruikers zijn.