Grote opdracht 1: Een sterke taalbasis draagt bij aan de taal- en denkontwikkeling

Door Marc van Oostendorp

De nieuwe stukken van de docenten van Curriculum.nu zijn binnen! Gisteren verscheen nieuwe teksten van deze leraren die de inspirerende opdracht hebben gekregen om na te denken over wat er in het Nederlandse onderwijs – van groep 1 tot en met 6-vwo – gedoceerd zou moeten worden.

Voor het vak Nederlands resulteerde dat gisteren in 7 ‘grote opdrachten’. Dat zijn zo’n beetje de grote lijnen, die bizarre term ‘grote opdracht’ komt niet van de docenten:

  1. Een sterke taalbasis draagt bij aan de taal- en denkontwikkeling.
  2. Autonome taalgebruikers werken hun leven lang aan hun taallerend vermogen.
  3. Op school worden talen en taalvariëteiten erkend en benut
  4. De competente taalgebruiker communiceert doelgericht.
  5. De competente taalgebruiker verwerkt (digitale) informatie kritisch.
  6. Leesbevordering en literaire competentie stimuleren leerlingen om lezers te worden en te blijven.
  7. Experimenteren met taal en taalvormen stimuleert het creatieve proces.

Het document waarin deze opdrachten worden uitgelegd staat hier.

Hoekje van de 21e eeuw

Op deze pagina kan iedereen feedback geven, zij het in een heel klein feedbackvenstertje. Dat is te begrijpen – in eerdere rondes kregen de teams honderden reacties en het is onduidelijk hoe ze dat allemaal menselijkerwijs moeten verwerken als het hele opstellen zijn.

Toch is het denk ik zinnig om over de plannen te discussiëren, en dat wil ik de komende tijd hier doen, opdracht voor opdracht. Ik doe dat ook eigenlijk een beetje uit jaloezie op die leraren die over zulke fundamentele kwesties mogen nadenken als: wat willen we nu eigenlijk dat die kinderen leren? Ik denk ook dat veel van de lijnen die ze uitzetten ook in het hoger onderwijs nog van belang zijn.

In het algemeen geloof ik dat de 7 genoemde opdrachten het vak inmiddels vrij goed afdekken. De eerste drie opdrachten zijn heel algemeen, 4 gaat over taalkunde, 5 over taalbeheersing, 6 over letterkunde, en 7 over creativiteit. (Eén dimensie ontbreekt geloof ik wel in de huidige formulering van de teksten: de historische. Taal en literatuur worden behandeld als verschijnselen die zich vooral nu voordoen, in ons hoekje van de 21e eeuw. Daarover in een latere aflevering meer.)

‘Ik ga niet naar dat feest’

Intrigerend aan opdracht 1, om me daar eerst op te concentreren is dat er aandacht wordt gevraagd voor denkontwikkeling. Ik vind dat heel gunstig. De docenten motiveren dat aspect in hun toelichtende tekst niet heel erg uitvoerig. Ze richten zich vooral over taalontwikkeling, zoals ontwikkeling van de woordenschat en ingewikkelder zinsbouw. Hierdoor worden allerlei kennisbronnen toegankelijk, zeggen ze terecht. Leerlingen moeten daarom leren om allerlei teksten te lezen – de docenten wijzen er gelukkig op dat die óók natuurlijk over de eigen taal en literatuur kunnen gaan.

Toch is dat allemaal nog geen denkvaardigheid. Voor mij is de taal juist ook zo interessant als een instrument voor het denken.

Geen mens in de buurt

Natuurlijk is de mens een dier en natuurlijk kan hij best denken zonder taal – maar bijvoorbeeld in beelden of in danspassen. Alleen helpt de mens de taal om vorm te geven aan bepaalde gedachten, en doordat ze die vorm hebben, kan de mens waarschijnlijk als enige dier nadenken over zijn eigen gedachten en die van anderen. Ik denk ‘ik ga niet naar dat feest’ en vervolgens kan ik dan denken: ‘waarom heb ik daar dan geen zin in?’

Er is een dictum dat zegt ‘slordig schrijven is slordig denken’ en ik geloof daar weinig van in de interpretatie die er meestal aan wordt gegeven (dat een spelfout erop wijst dat iemand een warhoofd is), maar er zijn wel degelijk allerlei aanwijzingen dat mensen hun gedachten kunnen ordenen door ze goed en helder op te schrijven, of door ze, eventueel voor zichzelf uit te spreken. En dat ze op nieuwe manieren kunnen leren denken door de gedachten van andere mensen te overdenken – en taal speelt daarbij een belangrijke rol.

In die zin is een goede ontwikkeling van de taal niet alleen gunstig voor de communicatie (waar altijd andere mensen bij betrokken zijn), maar ook om zelf min of meer ingewikkelde gedachten te kunnen vormen, of om gevoelens te kunnen analyseren. Ook als er geen mens in de buurt is, is het nog nuttig dat je taal hebt. En in die zin heeft het taalontwikkelteam nog meer gelijk dan het expliciet maakt: werken aan de taal van een leerling is ook werken aan haar denken.

Dit stuk is nu ook te lezen in het Afrikaans op ViVA.

Over Marc van Oostendorp

Marc van Oostendorp is onderzoeker aan het Meertens Instituut (KNAW). hoogleraar aan de Radboud Universiteit en hoofdredacteur van Neerlandistiek. Hij heeft een website, een YouTube-kanaal en een Twitter-account.
Dit bericht is geplaatst in column met de tags , , . Bookmark de permalink.

3 reacties op Grote opdracht 1: Een sterke taalbasis draagt bij aan de taal- en denkontwikkeling

  1. DirkJan schreef:

    Op de website kan je feedback geven, maar er staat ook expliciet dat de feedback ook is te lezen. Ik kan met geen mogelijkheid de pagina met reeds gegeven feedback vinden. Wie weet er wel de url?

    [ Ik vind het niet een probleem, maar toch opvallend dat alle veertien teamleden van het ontwikkelteam vrouw zijn, er zit geen man tussen. ]

  2. Wat ook opvalt is dat de tekst voor beter onderwijs Nederlands niet voldoet aan de normen voor leesbaar Nederlands. Er staan veel onnodig lange zinnen in, veel passief taalgebruik en veel onnodig jargon. Een paar voorbeelden:
    – Deze drie grote opdrachten vormen daarmee de onderlegger van het leergebied
    Nederlands
    – In een voortdurend veranderende samenleving is het van belang dat
    leerlingen in staat zijn om als autonome taalgebruiker hun leven lang communicatieve
    kennis en vaardigheden te ontwikkelen.
    -Het bevorderen van leesplezier en leesmotivatie is van belang, omdat ze een positieve leesspiraal in gang zetten

    Maar ik moet niet zeuren, het eindstuk zal ongetwijfeld in flitsend Nederlands zijn. Fijn dat er nu een zeer degelijk praatstuk ligt! Over punt 1: het lijkt mij dat het stimuleren van het denkvermogen iets is wat bij alle vakken thuishoort. Bij geschiedenis en wiskunde leer je ook redeneren in het Nederlands.

  3. Marc Kregting schreef:

    De historische dimensie van taal, die Marc van Oostendorp in het tussendocument mist, openbaarde zich afgelopen week nog aan me, toen ik twee vrij recente documenten over taal doorbladerde: de nog 2018 stammende museumbrochure Words Matter en Nizaar Makdoembaks’ Emancipatie via de woordenschat, dat een decennium ouder is maar een heel andere maatschappij laat doorschemeren. De stichtende bedoelingen zijn gelijk, de problematiek is dat ook, maar het beoogde publiek heeft een verandering ondergaan. Er is vooral veel expliciet ideologische strijd tussen gekomen, en die slaat neer op taal.
    Ook om die reden vind ik bovenstaand Curriculum Nu een belangrijk document. Wat geweldig dat vakmensen hardop over taalonderwijs durven na te denken! En wat raar dat er zo gul op allerlei verhoopte eigenschappen voor leerlingen het etiket ‘kritisch’ wordt geplakt, tegenover de woorden die in het document zelf te vinden zijn. Mij ontgaat althans de ‘authentieke taalgebruikssituatie’ die verondersteld wordt, zodat ik helaas de genade mis van ‘een positieve leesspiraal’.
    Dat het lijkt alsof de tijd heeft stilgestaan is des te vreemder omdat dit document een bijlage bevat met veelgebruikte begrippen, inclusief verduidelijking. Over die betekenis kan men van mening verschillen, uiteraard, maar ik schrik toch dat ‘narratief’ nodig blijkt. Anderzijds is de toelichting ‘verhaal’ evengoed een woord dat naar de mallemoer is geholpen (vooral in combinatie met het bijvoeglijk naamwoord ‘positief’, dat ‘kritisch’ denken kan afdoen als ‘klagen’ met een moralistische, onrendabele zuurgraad).
    Nee, te makkelijk. Ik moet herbeginnen, met hulde. Curriculum Nu wil eventuele kritiek verwerken in betere versies die moeten leiden tot nog adequatere lessen. Ze verheffen het vak Nederlands, maar vooral de jongvolwassenen die het krijgen. Ik wil dan ook liever als vader dan als neerlandicus reageren. Toch was er eerst een observatie die voor beide personen zo logisch klonk dat ik er pas bij herlezing aan bleef haken: ‘Historisch gezien is Nederland een land waarin verschillende talen en taalvariëteiten gesproken en gebruikt worden, zowel binnen als buiten de schoolcontext. Globalisering en migratie brengen bovendien met zich mee dat leerlingen vaak samen leren en samenwerken met mensen met een andere talige en culturele achtergrond. Iedereen gebruikt afwisselend en soms door elkaar verscheidene talen of taalvariëteiten, zoals Nederlands, Fries, Engels, Turks, Pools of Syrisch, boekentaal of spreektaal, gebarentaal, een dialect, straattaal, jongerentaal, chattaal of vaktaal.’
    Volgens mij, maar dat is een absurde en onbewijsbare indruk, is taal juist eenvormiger aan het worden. Zoals het Pareto-principe zich ontwikkelde, op ook de boekenmarkt. Ooit garandeerde een machtige 20% het schaduwrijke voortbestaan van 80%. Inmiddels zou de verhouding op 5-95 zou liggen, mogelijk nog extremer. Ik ervaar dat: ondoenlijk veel auteurs nog aan hun stijl te herkennen. Dat de woordenschat lijkt te krimpen, laat onverlet dat de verwerkte registers kunnen verschillen – zonder dat men dat in de gaten heeft. Als gevolg van het wegdeemsterend historisch besef ofwel de sensatie van een permanent heden? Ten slotte zou ik niet durven te beweren dat al die verschillende achtergronden zo vaak bij elkaar komen, zoals ik wel heb gehoopt en blijf hopen. Met een blik op de superdiverse school van mijn kinderen vrees ik dat scheidslijnen meer opvallen.
    Verder werd ik getroffen door deze zin in Curriculum Nu: ‘Teksten van goede kwaliteit zijn teksten met rijk taalgebruik, een gevarieerde woordenschat inclusief laagfrequente woorden, en gevarieerde zinsstructuren inclusief samengestelde zinnen en verbindingswoorden.’ Prettig waardeoordeel, maar in hoeverre van toepassing op taal die we dagelijks simpelweg niet kunnen ontwijken? En vooral: op getalenteerde leerlingen die nog wat achterstand hebben in te halen? Verderop meldt het document nota bene: ‘Door kennis te maken en te werken met literatuur krijgen leerlingen inzicht in hun leesvoorkeuren. Als ze daarbij vrijheid krijgen in het kiezen van boeken en boeken kunnen lezen die aansluiten op hun competenties en interesses, wordt de kans vergroot dat ze lezers met een positieve leesattitude worden en blijven.’
    Tekent men hier geen vicieuze cirkel? Sluit zo’n waardeoordeel eerst niet alleen leerlingen uit maar ook teksten die highbrow heten? Om vervolgens te worden bevestigd in en met tekorten? Ik zou dit ook consumentisme-in-de-dop kunnen noemen. Maar stel dat men dankzij een ongebroken wil verder kan, waar kunnen leerlingen dan terecht? In de klas, bibliotheken, boekhandels? Wat treffen ze daar aan?
    Zelfs lees ik momenteel onder meer Wees onzichtbaar van Murat Isik. Dat doe ik vol bewondering, zij het niet voor het taalgebruik. Deze roman over De Bijlmer ontsluit voor mij (witte provinciaal, enz.) wel een standplaats waarvan ik nooit vooraf oprecht had kunnen beweren dat deze me interesseert. Dus lijk ik een geschikte prooi voor deze Curriculum-observatie: ‘Literatuur zet aan tot het vergroten van nabije en andere werelden en aan nieuwe gedachten. Meer dan het lezen van alledaagse teksten zorgt het lezen van literaire teksten voor een vertraagd leestempo, waardoor deze teksten kunnen aanzetten tot dieper nadenken. Literaire teksten laten meerdere interpretaties toe en geven een inkijk in het hoofd van iemand anders.’
    Hier lopen twee dingen dooreen. Isiks roman vergroot zeker, sociaal-maatschappelijk, historisch en wat dies meer. Maar het leestempo kan er hoog liggen en tot nog toe vind ik de tekst allerminst multi-interpretabel. Dat zijn waarschijnlijk criteria uit vroegere poëtica’s die esthetische autonomie hebben voorgestaan. Bovendien zou ik niet weten waartoe ‘positieve leeservaringen’ dienen. Vermaak, mij best, maar daar hebben boeken toch geen speciale rol (boven sport, internetten en meer)? In het Curriculum wel, om ‘een gunstig effect op taalvaardigheid, woordenschat en op onderwijsprestaties in het algemeen’. Dan wordt literatuur alsnog instrumenteel, wat ik zou betreuren.
    Maar misschien zwerft dat sentiment mede door mij vanwege een stelling waaraan de auteurs een ‘grote opdracht’ voor taalonderwijs ophangen: ‘Creatief denken en handelen zijn vaardigheden waar nu en in de toekomst een groot beroep op wordt gedaan in de samenleving. Voor veel vraagstukken zijn nieuwe, ongebruikelijke ideeën nodig.’ Dit dunkt me een onverhuld ideologische boodschap, die linea recta voert naar ‘het neoliberalisme’. Voor mij is creativiteit echter vernietigend, terwijl hier iets geambieerd wordt wat gebruikersvriendelijk is, een dolletje op maat levert, enz. Dit heet toch gewoon ‘innovatief’ en wil boven alles renderen en laten consumeren, in plaats van die fameuze ‘kritische’ burgers groot te brengen?

Laat een reactie achter