Grenzen aan Nedersaksisch

Door Marcel Plaatsman

Nedersaksisch

Voor de dialectliefhebber is oktober al een prima maand, want dialect kwam twee keer vrij uitgebreid in het nieuws. Eerst ging het over verheugend nieuw onderzoek in Friesland, daar zal eindelijk scherper worden gekeken naar het Kollumers. Daartoe riep ik al eens op, in mijn publicatie over het Stadsfries van Harlingen, en anderen riepen er ook toe op, dat is niet voor niets geweest. Verder was er het vrolijke bericht dat de Nedersaksische dialecten meer erkenning krijgen.

Die twee berichten hebben nog wel iets met elkaar te maken. Behalve het Stadsfries van Kollum zal ook het dialect aan de Fries-Groningse grens verder worden onderzocht. Dat dialect wordt nu nog als een vorm van Gronings gezien en dat maakt het Nedersaksisch, maar de onderzoekers sluiten niet uit dat hun conclusies anders zullen luiden. Ook dit dialect zou wel eens een soort Stadsfries kunnen zijn. Dat maakt de triomf voor het Nedersaksisch in dit deel van Friesland wel wat ironisch.

Hollands en Nedersaksisch

Want Stadsfries, dat is Hollands, en Hollands is van alles maar geen Nedersaksisch. Dat lijkt een uitgemaakte zaak. Er zijn ook heel wat verschillen op te noemen tussen de Nedersaksische dialecten enerzijds en de Hollandse dialecten anderzijds. Zelf spreek ik Tessels en dat telt als een Hollands dialect, het lijkt ook best op Stadsfries trouwens, en het lijkt dus veel minder op Twents of Gronings. Belangrijke verschillen zijn deze:

– De Nedersaksische dialecten kennen umlaut. Het verkleinwoord van stok kan zo stökkien luiden, of nog weer anders, want er bestaan allerlei mogelijke uitgangen, die verschillen van dialect tot dialect.
– Ook in de werkwoordsvervoeging komt umlaut voor, net als in het Duits. Men zegt dan ik loop, maar hij löpt, met een verkorting ook nog ‘ns. Ook hier verschillen de precieze klanken per dialect.
– De Nederlandse lange „oo” in woorden als „lopen” en de Nederlandse „oe” in woorden als „doek” vallen in het Nedersaksisch samen. Die woorden klinken dan bijvoorbeeld als loop’m en dook.
– In Nedersaksische dialecten is de -ou- in woorden als „oud”, „hout”, nog een -ol-. Dat doet denken aan Engels en Duits. Het Nedersaksisch bewaart hier een oudere klank.

Ook oud is het bewaren van de ie-uitspraak in woorden als tied (tijd), maar dat heeft het Nedersaksisch gemeen met onder meer het Tessels en het Stadsfries. De opvallende uitspraak van de eind-n, vaak genoemd, hoor je ook in het Stadsfries. Dat zijn dus geen harde verschillen, maar voor de meeste Hollanders zijn het toch wel opvallende kenmerken.

Oud of nieuw?

Op basis van verschillen als hierboven genoemd kun je dus stellen dat de Nedersaksische dialecten duidelijk van de Hollandse afwijken. Vaak wordt dan aangevoerd dat die verschillen al erg oud zijn, dat het Hollands teruggaat op een taal die „Frankisch” heet en het Nedersaksisch op een vroegmiddeleeuwse taal die „Saksisch” heet. Zeker van dat Oudsaksisch hebben we ook aardig wat teksten over, dus we kunnen die taal goed met het moderne Nedersaksisch vergelijken. Dan zien we inderdaad dat ook in het Oudsaksisch de lange „oo” en de lange „oe” al waren samengevallen in één klank.

Tegelijk vallen bij zo’n vergelijking ook de verschillen op. Umlaut had het Oudsaksisch bijvoorbeeld niet. Die umlaut kwam pas veel later in zwang, voor Oost-Nederland en Noord-Duitsland geldt dat we de umlaut pas na de middeleeuwen duidelijk in de bronnen terugvinden. Dat opvallende verschil is dus echt van recenter datum. Een „Frankisch” dialect als het Limburgs heeft ook umlaut kunnen ontwikkelen, het is dus niet exclusief Nedersaksisch. Sterker nog: ook het Volendams, een Hollands dialect, heeft umlaut, waarschijnlijk pas sinds de 19e eeuw, maar toch.

Ouder Hollands als Nedersaksisch dialect

Isoglosse ijs – ies

Veel mensen zullen als opvallend Nedersaksisch kenmerk de ie in woorden als tied noemen, maar zoals ik al schreef is die uitspraak ook Tessels en verder komt die ie voor „ij” voor in Enkhuizen, op Wieringen, op de Waddeneilanden en in de Friese steden waar Stadsfries gesproken wordt. Het is dus een typisch verschijnsel voor ouderwetse Hollandse dialecten.

Ook andere Nedersaksische verschijnselen komen of kwamen in ouder Hollands voor. De samenval van de klinker van „lopen” en „doek”, bijvoorbeeld, is voor verschillende Noord-Hollandse dialecten opgegeven en verder voor de dialecten van Zuid-Hollandse kustplaatsen. Ook voor het Tessels heb ik een o-achtige klinker in woorden die nu „oe” hebben teruggevonden in oude brieven. Het is dus best mogelijk dat het Hollands op dit punt juist op een „Saksisch” standpunt heeft gestaan en dat dat pas later is veranderd.

Dat laatste geldt ook voor de typische verkorting in de werkwoordsvervoeging, die kwam volgens oude bronnen ooit in een groot deel van Noord-Holland voor. In het Markens staat naast ik loop nog steeds hij lopt. Dat is Nedersaksisch zonder umlaut – en van die umlaut weten we dus dat die juist modern is. Zo bezien is de grens tussen ouder Hollands en Nedersaksisch helemaal niet scherp. Wat de situatie in het Kollumerland nog ironischer maakt…

Grenzen aan taalgrenzen

Voor de goede orde, het is niet mijn ambitie om de boeken in te gaan als de man die dacht dat Hollands Saksisch was. Hoewel ik dat een prikkelende stelling vind, zal ik ze voorlopig niet als waar verdedigen. De gedachtekronkel laat vooral zien hoe ontzettend vaag de grenzen tussen dialecten zijn. En ach, de Texelaar of Kollumer die nu geloven wil dat ook zíjn dialect voortaan als taal is erkend, die heeft natuurlijk mijn zegen, dat zelfvertrouwen gun ik iedereen, of die nu Oost- of West-Nederlands spreekt.

Dit artikel verscheen eerder op het blog van Marcel Plaatsman.

Dit bericht is geplaatst in column met de tags . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter