Gezellig, een crisis in de neerlandistiek!

Door Marc van Oostendorp

Het fijne van crisis is dat er saamhorigheid ontstaat en in die zin is de huidige crisis in ons vak een zegen voor wie van gezelligheid houdt. Ik heb al wekenlang zeker eenmaal daags met een gesprek met iemand die zich zorgen maakt over het onderwijs Nederlands – op de middelbare school of op de universiteit. En geloof me, mensen die zich zorgen maken zijn leuker dan mensen die zich geen zorgen maken.

Het zijn ook allerlei soorten mensen: docenten, wetenschappers, ouders, betrokken burgers, schrijvers.

Zo had ik gisteren een goed gesprek met Abdelkader Benali. Hij is een heel interessante schrijver, en bovendien een schrijver die graag op scholen komt. Daar doet hij ook liefst iets met de leerlingen: hij wil ze geen fragmenten uit een roman voorlezen, maar hij wil iets doen waarbij hij de scholieren betrekt. “Dat lukt al beter door uit zijn hoofd gedichten voor te dragen”, vertelde hij. “Maar nog beter lukt het door met die kinderen zelf verhalen te maken, ze zo zelf te laten ontdekken hoe een verhaal in elkaar zit, wat literatuur zit.”

Analfabeet

Met andere woorden: Benali ontdekte op eigen houtje wat de geleerden van de meesterschapsteams ‘bewuste geletterdheid’ noemen en wat ook de docenten van curriculum.nu in het programma in te lijken bouwen. Dat het onderwijs niet moet gaan om het aanleren van een aantal trucjes die voor taalvaardigheid door moeten gaan, maar om het zelf ontdekken van wat je allemaal kan bereiken als je je taal beheerst – hoe je de wereld kunt veranderen, hoe je dingen over jezelf te weten kunt komen, hoe rijk je leven wordt als je kunt vertellen.

“Toch schrik ik als ik op die scholen kom”, zegt Benali. “De leraren willen wel, maar er is te weinig ruimte in het systeem voor dit soort onderwijs.” Er is veel te weinig ruimte voor literatuur, en het gevolg is dat de kinderen weinig lezen. “Ik vroeg laatst aan een vwo-klas: steek je hand op als je de laatste maand geen enkel boek hebt gelezen dat niet voor de lijst was. Toen staken er verschillende mensen hun hand op. ‘Dat is net zo weinig als mijn ouders’, zei ik. ‘Maar die hebben het excuus dat ze analfabeet zijn.'”

We moeten meer samenwerken, besloten we: schrijvers, docenten, mensen uit de wetenschap. Want uiteindelijk willen we allemaal hetzelfde, en het goede: dat de culturele crisis gestopt wordt, dat we weer jonge mensen opleiden om van taal te houden, dat instrument dat gratis is en waarmee we als we willen zoveel dingen kunnen. En waarin het zo gezellig kan zijn.