Gedicht: Elisabeth Eybers • Tongval

In het kader van ‘De week van het Nederlands’ 4 gedichten over taal, met beschouwing.

Tongval

Jou binnelandse vriende is vriendelik
teenoor die lig bevreemde vreemdeling
uit ’n onordeliker kontinent.
Om saam te klink ten spyte van aksent

wil ek die vasgelegde wette leer
maar merk, as een haar meesterlik ontferm
oor my wat onvolledig konformeer
en hulp aanraai van ’n logopedis,
hoe eiesinnig strotteweefsel is
wat die essensiële taal beskerm.

Terwyl ons lippe self die pleit besleg
kom klanknabootsing ook nooit tot sy reg;
vandat my spraakorgane jou geval
verwaarloos ek die medeklinkertal.

Elisabeth Eybers (1915-2007)
uit: Onderdak (1969)

Altijd weer genieten, de gedichten van Elisabeth Eybers. Hardop uitgesproken vallen de woorden prachtig op hun plaats; de melodie trekt je in één ruk naar het einde.

Is het een sonnet – dat, afwijkend, met een kwatrijn en een sextet (rijmgewijs, of, zinsgewijs, een terzet en een septet?) begint, en met een kwatrijn eindigt? Hoe dan ook, het gedicht heeft zeer zeker een volta: in het slotkwatrijn maken alle bezorgde gedachten over taal als communicatiemiddel plaats voor zorgeloze zinnelijkheid. Want met tong en lippen kunnen we nog meer dan taal spreken – alleen niet tegelijkertijd.

In de eerste versie van ‘Tongval’ die ik onder ogen kreeg, stond het woord strotteweetsel. Kon dat kloppen? Bij de in het Afrikaans schrijvende Eybers weet je het nooit, misschien weet de strot meer dan je denkt – zoals later de lippen ook een pleit weten te beslechten. Maar het moest toch strotteweefsel zijn, zoals mijn voorgevoel me had verteld.

Tussen Nederlands en Afrikaans wemelt het vast van de valse vrienden, die vriendelijker zijn dan vals – zo stel ik mezelf gerust, te lui om het woordenboek te raadplegen. Maar het gaat Eybers in de eerste tien regels niet eens om onze verschillende woordenschatten, slechts om de accenten: alsof het om twee dialecten gaat, twee tongvallen die ze graag dichter bij elkaar wil brengen. Waarbij ze ook nog de populaire visie weergeeft dat Afrika en dus het Afrikaans, een ongeregeld zootje is en het Europese Nederlands juist zo ordelijk, dat je de wetten waaraan het onderhevig zou zijn, kunt leren.

Waar maakt ze zich druk om? In hoeverre vallen communiceren en conformeren samen, is “samen klinken” het hoogste doel? Wil ze een ingebeelde kloof overbruggen – want als verwante vreemdeling wordt ze allervriendelijkst bejegend, en van enige moeite om de binnenlandse vrienden te verstaan, maakt ze geen gewag?

Vanwege haar uitspraak (de “klanknabootsing”) krijgt ze van een belerende Nederlander een beledigend advies. Logopedisten zijn er voor mensen met een spraakgebrek af, niet voor iemand die een volwaardige zustertaal spreekt – met wat meer verloren medeklinkers en uitgangen.

Er helpt dan ook geen moedertje lief aan: taal zit in haar lijf, daar bovenin meteen, haar moedertaal is deel van haar wezen geworden, en laat zich niet meer een ander oor aannaaien.

• Felix van de Laar

Dit bericht is geplaatst in gedicht met de tags , , . Bookmark de permalink.

Laat een reactie achter