Gedicht: Edward Vermeulen • Twee kachtels

Twee kachtels*

Dat ’t vrouwvolk toch zoo loech* omdat
zijn voer daar kachtelde* in de gracht,
het neep hem, maar het schimpen viel niet plat;
hij raapte ’t op en grolde: wacht,
gij, flutsen*.

En nu stond ’t allerlaaste voer
gelaân en al het vrouwvolk klom
er op. Rijd traag, beval de boer,
de voeren zwaaien meesttijds om
door ’t hutsen.

Dat weet ik, beet de boever, ju!
En met de zwepe knees* hij Baai
al mommelend: ik heb ze nu,
die spotsters. Ginder, aan den draai
zal ’t stuiven.

Het vrouwvolk had een leventje op
dat voer! Ze tierden: hoog en droog!
de oogst gaat in! Ze gaven klop
op ’t staal en hieven takken hoog
al wuiven.

Maar ongemerkt, daar, tenden ’t stuk,
klimop*, de boever droei* radaf
aldoor de voor, en met een ruk
hief heel de wagen: ’t voer begaf
al zwaaien.

En poefte* neer. En spartlen dat
het vrouwvolk deed, met kop en keut*
in ’t strooi ! Die zotte boever zat
gehurkt, van zuivre klare leut
te kraaien.

Edward Vermeulen (1861-1934)
uit: Volkse verzen (1973)

kachtel, kachtelen: wanneer een deel van de lading van een voer afschuift en neerstort noemt men dat kachtelen… en het gebeuren kachtel.
loech: lachte
flutsen: dwaze vrouwen
knees: prikkelde
klimop: bergop, omhoog
droei: draaide
poefte: plofte
met kope ne keut: hals over kop

———————————–