Fiets–vitis–vicis. Wellicht stamt fiets af van Latijn vitis, niet vicis

Door Gerard Kempen

Figuur 1. Straatnaambord voor een fietspad in Sint Anthonis, Noord-Brabant. Foto van Aad Vernooy (december 2014), Bron: Zuivelhistorie

In zijn onlangs verschenen De taal van de fiets vat Wim Daniëls in tien bladzijden de diverse theorieën samen over de herkomst van het woord fiets. Aan het eind van zijn overzicht concludeert hij dat niemand weet welke van de genoemde verklaringen de juiste is. Hij voegt daaraan toe: “Dat is van de ene kant jammer, van de andere kant is het ook wel aardig dat het speculeren voortduurt en dat er af en toe nog weer een nieuwe theorie bij komt.” Hieraan doe ik graag mee, in de vorm van een plausibeler versie van een verklaring die ik in 1999 heb geopperd in Onze Taal.

Die verklaring ging uit van een observatie die ik deed als ongeveer tienjarige spreker van het Oost-Brabantse dialect van het Land van Cuyk. Op zeker moment drong tot me door dat fiets niet alleen ‘rijwiel’ betekende maar ook ‘ondermelk’ (zie ook Figuur 1). Zou het toeval zijn dat dat ene woord twee zulke totaal verschillende dingen aanduidde, of waren die twee betekenissen misschien op een of andere manier verwant? (Ik wil hiermee niet beweren dat ik mij toen bewust was van het onderscheid tussen homonymie en polysemie.)

Ruim veertig jaar later, na het verschijnen van Ewoud Sanders’ boek Fiets! (in 1996; de betekenis ‘ondermelk’ wordt hierin niet genoemd) bedacht ik een mogelijk verband. De naam van het zuivelproduct fiets zou ontleend kunnen zijn aan de bereidingswijze ervan: het met handen of voeten aandrijven van een centrifuge—een separator die met behulp van middelpuntvliedende kracht zorgt voor scheiding van melk in vaste stoffen en vloeistof (de vloeistof veelal voor dierlijke consumptie). Dat de naam van een voedingsmiddel teruggaat op een onderdeel van de productiemethode is niet ongewoon, denk aan gebak, gehakt, beschuit, wentelteefje, mout, meel, hangop, stamppot, puree, saus. De naam centrifuge zou ingekort kunnen zijn tot -fuge en fonologisch aangepast tot fiets. Van dit zelfstandig naamwoordwoord kan dan het werkwoord fietsen afgeleid zijn ter aanduiding van de aandrijfmethode: het ronddraaien van een soort zwengel die loodrecht op de as van een wiel staat en zorgt voor omwenteling van as en wiel. Deze benaming zou dan overgedragen kunnen zijn op de sterk verwante aandrijfmethode van rijwielen. Zie samenvatting in Tabel 1.

Tabel 1. Mijn oorspronkelijke hypothese (1999).

Bereiding van
ondermelk
in separator:
centrifuge
➜Verkorting tot
-fuge, en
fonologische
aanpassing tot
fiets
➜fiets wordt benaming
van het vervaardigde
product
➜fietsen wordt benaming
van de aandrijving
van de separator
➜ overdracht naar
verwante aandrijving
van rijwielen

Inmiddels is me duidelijk geworden dat deze hypothese voor de helft (het deel in de twee linker kolommen van Tabel 1) niet juist kan zijn: de fonologische verandering van -fuge naar fiets is een brug te ver. (Wel is de verkorting fuus in Limburg aangetroffen.) Het deel in de rechter kolommen wil ik evenwel handhaven in de gewijzigde hypothese die ik samenvat in Tabel 2. Deze gaat uit van het Latijnse woord vitis ‘wijnstok’. Zoals bekend hebben de ranken van de wijnstok de neiging om te groeien in de vorm van spiralen, zoals in Figuur 2 goed te zien is.

Deze spiraalvormige (in drie dimensies) of cirkelvormige (in twee dimensies) groeiwijze heeft in diverse talen de benaming van gereedschappen en andere artefacten geïnspireerd. Een bankschroef heet vice in het Engels. Volgens de Oxford English Dictionary (OED; online versie, 2018) kende dit woord in het Middelengels diverse andere spellingen, onder meer vics en viz., en is het ontleend, via het Oudfranse vis/vitz, aan “Latin vitis vine, with reference to the spiral growth of the tendrils”. In Oud- en hedendaags Frans betekent vis (uitgesproken met /s/) ‘wenteltrap’. Het Nederlands kent vijs (‘schroef’) en vijzel (cf. opvijzelen via een katrol). In het Italiaans heet een schroef vite.

Figuur 2. Wijnstok in spiralen. Bron: Collectie Nederland

Ook in het Duits komen een afleidingen van vitis voor: Viez ‘appelwijn’, vooral gebruikt in Saarland en meer noordelijke gebieden grenzend aan Frankrijk en België (bijvoorbeeld in de Eiffel). In het Reinische Wörterbuch wordt Viez gespeld als Fiz, in het Pfälziche Wörterbuch als Fiez (zie Trier Center for Digital Humanities 2011). Eerstgenoemd woordenboek vermeldt ook het werkwoord fizen (met de z uitgesproken al /ts/) in de betekenis ‘bereiden van appelwijn’. In het Luxemburger Wörterbuch tref ik Fîtz aan als algemene naam voor vruchtenwijn (Obstwein). Opvallend is dat het hier, net als bij fiets ‘ondermelk’, gaat om een drinkbare vloeistof (ditmaal bestemd voor menselijke consumptie!) die tot stand komt via separatie van vaste stof en vloeistof—traditioneel door middel van een pers (zie Figuur 3).

Figuur 3. Appelpers. Bron: Wikipedia

Dit brengt mij tot de hypothese dat fiets een ontlening is uit een Duits dialect gesproken in Saarland, Luxemburg en de Eiffel, zoals samengevat in Tabel 2. Let wel, de ontlening betreft alleen de betekenis van fiets(en) genoemd in de derde kolom. De betekenis in de vierde kolom is wellicht in het Nederlands taalgebied bedacht. De hypothese past bij Ewoud Sanders’ observatie dat fiets als alternatief voor rijwiel zich vanuit het zuiden over Nederland verspreid heeft. Hij citeert bronnen waaruit zou blijken dat fietsen in Zuid-Limburg en zuidelijk Oost-Brabant voorkwam als naam voor een snelle, ongewone manier van lopen (maar in zijn bronnen wordt niet uitgelegd hoe die loopbeweging er precies heeft uitgezien).

Tabel 2. Gewijzigde hypothese.

Bereiding van
ondermelk
in separator:
pers of centrifuge
➜Aandrijving van separator
door zwengelen: de
cirkelvormige
beweging lijkend op
spiraalvormige groei
van de ranken van de
wijnstok (Lat. vitis),
uit een Rijnland-Duits
dialect ontleend als fiets
➜fiets wordt benaming
van het vervaardigde
product
➜fietsen wordt benaming
van de aandrijving
van de separator
➜ overdracht naar
verwante aandrijving
van rijwielen

De betekenis van Viez als appelwijn was mij onbekend toen ik in 1999 mijn stukje in Onze Taal schreef. Ik was daarom zeer verrast toen Gunnar de Boel en Luc de Grauwe (2011) net als ik een naam voor een drank gebruikten als basis voor een hun nieuwe hypothese over de herkomst van fiets. (In e-mailcorrespondentie met mij na verschijning van hun artikel schrijven ze dat ze mijn artikel in Onze Taal niet kenden.)

Evenwel, de hypothese die ze aanvoerden voor het verband tussen Viez ‘appelwijn’ en fiets ging uit van een ander Latijns woord: vice, zesde naamval van vicis (tweede naamval en gebruikelijke citatievorm van een woord dat nooit in de eerste naamval is geattesteerd). Diverse talen kennen vice in samenstellingen als vice-voorzitter of vice-consul, waarin het ‘plaatsvervanger’ betekent. (De eerste betekenis van vicis is ‘beurt’.) De Boel en de Grauwe leggen het volgende verband tussen appelwijn en plaatsvervanger: in de tweede helft van de 19de eeuw toen het woord fiets ‘rijwiel’ ontstond, heerste in Europa een hongersnood waardoor niet alleen mensen maar ook lastdieren, met name paarden, getroffen werden; de hoge sterfte van paarden leidde tot vraag naar een vervoermiddel dat paard-en-wagen zou kunnen vervangen. Hiervoor kwam het toen net uitgevonden rijwiel (eerst loopfiets, draisine) in aanmerking: het vice-paard (Ersatzpferd), net zoals appelwijn een vervanging was van echte wijn (Ersatzwein). Deze hypothese, die veel media-aandacht heeft getrokken, kreeg echter weinig bijval in taalwetenschappelijke kringen. Jan Stroop (2012) schreef een zeer kritische evaluatie. Ik acht het, met Stroop, onwaarschijnlijk dat vicis de herkomst is van het woord fiets.

Maar mijn verklaring in Tabel 2 is, evenzeer als alle andere geopperde verklaringen, speculatief, en moet het stellen zonder bewijsplaatsen. Misschien is ook zij nog steeds een brug(je) te ver. Vandaar mijn verzoek: mocht u ergens een bewijsplaats vóór of tegen aantreffen, laat het mij of de Nederlandstalige gemeenschap dan onverwijld weten.

Literatuur

de Boel, Gunnar & de Grauwe, Luc (2011). Fiets “ersatzpaard”. De etymologische kwestie revisited en beslecht? Tijdschrift voor Nederlandse Taal- en Letterkunde, 127, 327-342.

Daniëls, Wim (2018). De taal van de fiets. Leiden: Uitgeverij Brooklyn.

Kempen, Gerard (1999). Fiets en (centri)fuge. Onze Taal, 68, 88.

Sanders, Ewoud (1996). Fiets! De geschiedenis van een vulgair jongenswoord. Den Haag: Sdu.

Stroop, Jan (2012). Ga toch fietsen! Neder-L 27.2.2012. Ook verschenen in Stroop, Jan (2014). Die taal, die weet wat. Over wat kan en niet kan in het Nederlands. Amsterdam: Atheneum–Polak & van Gennep.

Trier Center for Digital Humanities (2011). Wörterbuchnetz..