De ganse rijkdom van August bestond in de gulden die hij de knaap geboden had

De Multatulileesclub (3)

Door Marc van Oostendorp

– Ik heb het gevoel dat we vorige week toch nog niet helemaal uitgepraat waren over de stukken uit Multatuli’s jonge jaren.

Deel 8 uit de Volledige Werken.

– Dat bedoel ik. Ik zou hier een stelling willen poneren.

– Dat Eduard Douwes Dekker al in zijn eerste stukken een centraal thema uit zijn werk laat zien?

– Hoe weet jij wat ik wilde gaan zeggen?

– Ik had zo’n voorgevoel.

– Het klopt in ieder geval. Ik wil in deze leesclub de komende maanden mijn hypothese toetsen. Dat Douwes Dekkers werk ging over de vraag wat het betekent om een mens te zijn.

– “De roeping van de mens is mens te zijn”?

– Ja, dat schreef hij jaren later. Maar die obsessie met “mens zijn” zat er altijd al in. Het allereerste ‘prozastuk’ dat van Douwes Dekker bekend is, is ‘Losse bladen uit het dagboek van een oud man: Het Schoone, Geluk‘. Dat schreef hij toen hij 21 was.

– Het is misschien nog een beetje ouderwets en stijf geschreven, voor Dekkers doen.

– Ja, misschien. Al zijn de dialogen al ontzettend sterk voor een 21-jarige schrijver. Dialogen waren sowieso een sterk punt van Dekker. Bij hem praten mensen altijd. In dit verhaal, komt de held, August, in gesprek met een jongen die een vogelnest heeft geroofd. August wil dat nest terugkopen om het terug te zetten. Ze praten dan zo:

‘Geef mij dat nest!’ riep August.
‘Waarlijk niet!’ hernam de knaap.
‘Ik wil u een gulden daarvoor geven!’
‘Toch niet, het heeft mij te veel moeite gekost, hetzelve uit te halen!’
De gansche rijkdom van August bestond in den gulden dien hij den knaap geboden had.
‘Wilt ge mijn nieuwen hoed daarvoor hebben?’ vraagde August dringende, of neen… hij bezon zich dien aan eenen armen knaap te hebben gegeven, die blootshoofds op den weg liep, mijn… mijn…’
De arme jongen wist niet wat hij meer bieden zoude, en het nest lag hem na aan ’t hart.

– Ja. In dat dialoogje zie je ook meteen de manier waarop Multatuli zijn personages terwijl ze aan het praten zijn onderbreekt om commentaar te geven (‘hij bezon zich dien…’).

– Maar belangrijker nog dan die stijl, die inderdaad af en toe nog wat stijf is, is het verhaal. Die August is zoals uit dit verhaaltje al blijkt, een held. Hij geeft al zijn bezittingen om een nest te kopen en dan zijn hoed nog aan een arme knaap. Later in het verhaal zegt hij dat het mooiste is om je leven te geven voor een vriend, en even later heeft hij het ‘geluk’ dat een vriend inderdaad door het ijs zakt. August erachteraan, en dood.

– Douwes Dekker had die jaren wel wat met hoofddeksels. Ze komen in zijn werk steeds weer terug, ook in zijn brieven aan Everdine.

– Ok, daarover misschien een andere keer. Want die August is natuurlijk een held zoals Douwes Dekker al snel zelf zou hopen te zijn: iemand die alles over had voor anderen, alles wilde geven. Maar iemand die daar ook in wist te zwelgen.

– Je hebt gelijk, ook in de brieven aan Tine beschuldigt hij zichzelf ervan om alleen maar goed te willen doen om het fijne gevoel dat het gaf.

– Een mens moest goed zijn, vond hij. En voor dat goede moest alles wijken. Tegelijkertijd wist hij ook dat dit een beetje raar was. Dat was zijn worsteling met het mens zijn: het gevecht tussen hoge morele principes en het gevoel dat je die principes alleen volgde om je goed te voelen.

– Tegelijkertijd was hij ook toen al nu niet bepaald een fijne persoon voor de vrouwen om hem heen. Hoe hij Everdine al vanaf dag 1 van hun verloving behandelde!

– Laten we daar de volgende keer over doorpraten.

– Je hebt gelijk. Ik heb ook wel dorst gekregen.