‘De dankbare jood’ (1781)

Jeugdverhalen over joden (6)

Door Ewoud Sanders

De oorspronkelijke versie van dit verhaal verscheen in 1780 onder de titel ‘Der dankbare Jude’ in Kinderzeitung, een uitgave van de Duitse theoloog, pedagoog en schrijver Christian Gottfried Boeckh (1732-1792). De eerste Nederlandse vertaling werd een jaar later opgenomen in Geschenk voor de jeugd, een uitgave die was samengesteld door de predikanten Ahasverus van den Berg (1733-1807) en J.F. Martinet (1729-1795). Martinet was indertijd een invloedrijke pedagoog.

‘De dankbare jood’ is minstens veertien keer gepubliceerd, onder verschillende titels en in diverse bewerkingen:

Jaar Titel van het verhaal Gepubliceerd in:
1 1781 De dankbare jood Geschenk voor de jeugd
2 1788 De dankbare jood Geschenk voor de jeugd
3 1823 De gestrande jood Voorbeelden van deugdzame bedrijven
4 1824 De Jood Voorstellen ter keuze van ambachten en bedrijven en daartoe betrekkelijke verhalen voor kinderen
5 1826 Uitmuntend voorbeeld van dankbaarheid Bloempjes van uitspanning, gevlochten voor de Nederlandsche jeugd
6 1826 De dankbare jood Boert en ernst
7 Ca. 1830 De dankbare jood Trekken van edelmoedigheid
8 1831 De Jood Voorstellen ter keuze van ambachten
9 1835 Uitmuntend voorbeeld van dankbaarheid Bloempjes van uitspanning, gevlochten voor de Nederlandsche jeugd
10 1839 De dankbare, door eenen Christen geredde Jood Keur van mengelingen ter bevordering van wijsheid, deugd en godsdienst
11 1840 Uitmuntend voorbeeld van dankbaarheid Bloempjes van uitspanning, gevlochten voor de Nederlandsche jeugd
12 1845 De Jood Voorstellen van ambachten en bedrijven
13 1849 De dankbare jood C. Schmid, Spiegel voor de jeugd
14 1856 De dankbare Israëliet Kinder-Courant
15 1871 De dankbare jood Boert en ernst

In de samenvatting is geciteerd uit de oudste vertaling/bewerking.

Samenvatting

Een naamloze joodse handelaar bevindt zich op een schip dat onderweg van Westfalen naar Holland schipbreuk lijdt. Hij wil zich aan de mast vasthouden, maar daar staan al vier mannen. Aan een van hen, een boer, vraagt hij of ‘hij zich aan zijnen voet mogt vasthouden’, want dat is zijn enige hoop. ‘De boer vergunde hem deze vrijheid, en de Jood werd met de anderen door een bijkomend schip gered.’
Bij het afscheid noteert de joodse handelaar de naam en woonplaats van de boer. Hij dankt hem voor het redden van zijn leven en zegt dat hij, zodra hij daartoe in staat is, zijn dankbaarheid nader zal tonen. De boer zegt: ‘Ik deed wat elk mensch voor zijnen medemensch behoort te doen.’
Twee jaar later stuurt de joodse handelaar de schout van het dorp een brief ‘die een bewijs was dat een jood ook een edel dankbaar hart hebben kan’. De brief gaat namelijk vergezeld van vijftig dukaten en kleding voor de boer en diens gezin.
De boer barst in tranen uit als de schout hem de kleren geeft. ‘Laat nu iemand de joden schelden en bespotten daar ik bij ben’, zegt hij. ‘Ik verzekere u, hij zal met mij te doen hebben.’
Hij is sprakeloos als hem de vijftig dukaten worden overhandigd. Na een lange stilte roept de boer: ‘Dat ben ik niet waardig, voor een weinigje last dien ik van hem gehad heb, terwijl hij aan mijn been hing, o God zegen hem.’
Samen met de schout stuurt de boer een dankbrief aan ‘den braven jood’. In de jaren daarna stuurt de joodse handelaar hem nog diverse geschenken toe.

Verhaalvarianten

De oudste Nederlandse vertaling volgt getrouw het Duitse origineel. Op één punt na, want de Duitse versie eindigt met een zedenles die in de vertaling is geschrapt. Hier een fragment van die zedenles uit 1780, voor mij vertaald door Leonard Beuger uit Kinderzeitung (Nürnberg, 1780, dl. 1, p. 197-198):

God zij geloofd, kinderen! dat er onder alle volkeren naast vele ontaarde lieden toch ook nog een hoeveelheid weldenkende, goedhartige en dankbare mensen te vinden zijn, want dankbaarheid beschouw ik als een van de belangrijkste kenmerken van een nobel hart, terwijl ondankbaarheid daarentegen mij lijkt te wijzen op een slechte, boosaardige inborst. Nu we het daar zo over hebben kan ik ook niet nalaten jullie met een zucht te vertellen hoe droevig het mij maakt wanneer ik zie hoeveel christenen zich het recht aanmatigen op een verwerpelijke, liefdeloze en laaghartige manier op te treden tegenover de joden, hen te beschimpen en bespottelijk te maken. En als ik dan van zulke onmenselijke types, wanneer ik ze daar op aanspreek, het jammerlijke, onnozele, iedere mens en christen volstrekt onwaardige excuus te horen krijg ‘Het zijn toch maar joden, die doen er niet toe, die zijn toch al door god veroordeeld’ – dan kan ik wel huilen. Alsof de joden niet evengoed schepselen Gods en mensen zijn, zoals wij!

In 1824 in de bundel Voorstellen ter keuze van ambachten en bedrijven en daartoe betrekkelijke verhalen voor kinderen werd het verhaal ingeleid door een uitvoerige preek. Die was gekoppeld aan dit prentje, van een jood die oude kleren in- en verkoopt.

‘Over het algemeen’, schrijft de anonieme samensteller van dit beroepenboek, ‘staan de Joden bij vele menschen niet in een zeer goed blaadje, en veelal ontstaat deze minachting daaruit, omdat hunne voorouderen onzen Heer Jezus zoo deerlijk mishandeld hebben (hiervan zult gijlieden wel in den Bijbel gelezen hebben). Doch deze verachting is ten onregte, want het tegenwoordige geslacht der Joden kan niet helpen, dat hunne vroege voorouderen zoo misdadig gehandeld hebben.’

Joden zouden verder de naam hebben bedriegers te zijn. ‘Dit gaat zelfs zoo verre, dat de namen van Jood en van bedrieger, bij velen omtrent hetzelfde beteekenen.’ Natuurlijk komen er onder joden bedriegers voor, vervolgt de verteller, net als onder andere volkeren, maar ‘Lieve kinderen! (…) wij kunnen u verzekeren, van onder de Joden verscheidene godvruchtige, eerlijke en brave menschen te hebben aangetroffen. De volgende vertelling zal u éénen van die brave Joden doen kennen.’

Waarna het verhaal volgt over de goedhartige joodse handelsreiziger die tijdens de schipbreuk naar een boer snelt die tot boven in de mast is geklommen. Hij bidt ‘bij den boer om aan zijne beenen te mogen hangen, hetwelk deze hem terstond vergunde’.

In 1826 werd het verhaal ingrijpend bewerkt voor Boert en ernst, een ‘verzameling van aardige anekdoten, zonderlinge voorvallen’ etc. die eerder op volwassenen dan op kinderen was gericht. De hoofdpersonen krijgen opeens een naam: boer Rubien en handelaar Lazarus Ruhlander (uit Frankfurt am Main). De boer is ziek en zit zo aan de grond dat zijn kinderen honger lijden en hij de pacht niet kan betalen. Daardoor komen de kleren en de vijftig dukaten van de dankbare handelsreiziger als een geschenk uit de hemel. Over het moment dat de boer het geld krijgt, lezen we: ‘Opnieuws [sic] stond hij als versteend, de spieren van zijn aangezigt zwollen op, en uit de volheid zijns harten riep hij uit: ‘Neen, dat ben ik niet waardig! Voor een weinig tijds aan mijne beenen te hangen, zoo veel? God zegene hem, en make alle joden zalig!’

Een opmerkelijke tekstwijziging in de versie uit 1840, opgenomen in Bloempjes van uitspanning, gevlochten voor de Nederlandsche jeugd, betreft de scène rond de scheepsmast. Er is een schermutseling aan toegevoegd, waarbij de jood ‘heel onbarmhartig’ door christenen wordt ‘terug gestooten’ en daardoor als laatste bij de mast kan zijn. Deze bewerking eindigt met de woorden: ‘Zoo edel, zoo dankbaar handelde een Israëliet! Een man, wiens natie [lees: bevolkingsgroep] zoo dikwerf door ons met minachting wordt behandeld, en deze laat aan alle menschen een schitterend voorbeeld van dankbaarheid na.’

Doelgroep en receptie

Geschenk voor de jeugd (1781) was bedoeld voor ‘de jongere vaderlandsche jeugd’. Spiegel voor de jeugd (1849) had tot doel ‘niet alleen de Jeugd te onderhouden, maar ook tegelijk weldadig op haar verstand te werken, haar op eene aangename wijze voor de deugd te winnen’.

Van dit verhaal heb ik geen besprekingen gevonden.