Blinn auga: is dat wel Oudnederlands?

Antwoord op Kerkhof’s “Nieuw Oudnederlands in Ierse tekst”.

Door Gertjan Postma

(afbeelding uit Stokes 1898: 242)

In een recent artikel in Neerlandistiek vraagt Kerkhof aandacht voor een tekst uit een oude Ierse woordenlijst waarvan een viertal manuscripten in Dublin bewaard worden. Het 183ste trefwoord uit de lijst luidt:

  1. Blinn auga .i. dallsuilech in linga Galleorum
    blind oog i.e. blind.oog.sfx in language Galls.gen.pl
    ‘blindoog dwz dallsuilech in de taal van Galliers/Kelten/…’

Kerkhof identificeert de eerste twee woorden blinn auga als van Germaanse herkomst. Dat lijkt onbewistbaar. Ze worden gevolgd door een vertaling in het Iers:  dallsuilech = dall  ‘blind’ + sull ‘oog’ + suffix, verder nog gevolgd door een taalkarakterisering in ling(u)a Galleorum. Kerkhof concludeert uit de bijstelling in ling(u)a Galleorum dat blinn auga een Germaans woord is zoals dat in Gallië werd gebezigd. En omdat met name het Oudnederlands in contact met Gallië stond, identificeert Kerkhof blinn auga, dat hij restaureert tot blind augo, als Oudnederlands: een van de oudste Oudnederlandse woorden nog wel. Dat is natuurlijk spectaculair nieuws, en het is dan ook terecht dat Neerlandistiek en NRC hier aandacht aan besteedden.

Er zijn echter wel wat kanttekeningen bij deze conclusie te plaatsen. Wat zijn de argumenten dat het Oudnederlands betreft en wat zijn de argumenten voor die vroege datering? Laten we eerst de tekst wat zorvuldiger situeren. Het opschrift van de lijst luidt in het Latijn:

Incipit discreptio de origine Scoticae linguae quam congregauerunt religiosi uiri adiunctis nominibus ex hebraeicano hieronimi et tractationibus (…)

“Hier begint een beschrijving van de oorsprong van de Schotse taal zoals die samengesteld werd door religieuze mannen door toevoeging van woorden uit het heilige Hebreeuws en uit verhandelingen van Ambrosius, Cassianus, Augustinus, … ” (volgt een lijst met kerkvaders en Latijnse schrijvers).

Het betreft dus een lijst woorden in het hoge register van de taal: religie, natuurlijke historie, poezie, etc. Een goed begrip van de tekst zou ook licht moeten werpen op wat die blindoog daar doet.

Laten we die lange lijst van 874 lemmas nader beschouwen. Het vooropgeplaatste woord in de lijst, het lemma, het woord “in de eerste kolom”, is dus “Schots” volgens de samensteller(s). Het lijkt voor de hand te liggen om dan als nulhypothese aan te nemen dat het lemma van deze woordenlijst het Keltisch is zoals dat in het Noorden van de Britse eilanden werd gesproken, zeg Gaelic, en niet in Gallië. De samensteller van de lijst wilde blijkbaar die afwijkende Schotse variant voor een Iers publiek begrijpelijk maken. Deze Schotse lemma’s worden vervolgens verklaard door corresponderende woorden in het Hebreeuws, Grieks, Latijn en Iers te geven. De meta-taal is Latijn, zoals uit het opschrift blijkt, maar ook het Iers zelf wordt als zodanig gebruikt. Het interessante is dus — en dat is de vondst van Kerkhof — dat die Schotse variant van het Keltisch, het Gaelic, een woord uit een Germaanse heeft taal overgenomen: blinn auga.

Achter die eerste kolom in deze lijst worden telkens woorden met een taalindicatie gegeven. De toekenning van een taal aan een woord kan in principe op twee manieren gebeuren. We illustreren het aan de hand van het Franse woord maison. Men kan in een woordenlijst volgens twee werkwijzen te werk gaan, strategie 1 of strategie 2.

strategie 1       maison: dat is huis in het Frans         (huis duidt hier de semantiek aan)
strategie 2       maison: dat is huis in het Nederlands        (huis duidt hier de klank aan)

De intonatie van beide strategieën is wat verschillend, maar ze zijn alletwee even natuurlijk. In een lemmabeschrijving van type 1 verwijst de taalbepaling naar het lemma, terwijl in een lemma-beschrijving van type 2 de taalbepaling verwijst naar het woord waar het meteen achter staat. Met andere woorden: we moeten bepalen of de bijstelling in ling(u)a Galleorum naar blinn auga verwijst of naar dallsuilech. Nu gebruikt de lijst in alle overige gevallen een strategie 2 bijstelling. We geven hier drie voorbeelden, het tweede lemma uit de lijst, het lemma dat onmiddellijk aan het hier onderzochte lemma voorafgaat, nr 182, en een lemma met Iers als meta-taal, nr.98.

  1. Abb .i. Abba ebraice, πατηρ graece, genitor latine
    abb dat is abba in het Hebreeuws, pater in het Grieks, genitor in het Latijn
  1. Baslec .i. a basilca graece, eclesia latine, tec[h] rig nime
    baslec dat is basilca in het Grieks, eclesia in het Latijn, huis vd hemelse koning
  1. Andoin a ebra, ecclesia a greicc, conuocatio a laitin, comtogairm a gaidelg
    andoin uit het Hebreeuws, ecclesia in het Grieks, convocatio in het Latijn, comtogairm in het Iers.

Hier zien we dat de taalaanduiding strategie 2 volgt. Dat kan ook niet anders omdat we volgens de eerste strategie een bizar lemma zouden krijgen als:

2′ Abb .i. Abba in linga Galleorum, πατηρ in linga Galleorum, genitor in linga Galleorum

We moeten dus aannemen dat in linga Galleorum op dallsuilech slaat en niet op het Germaanse blinn auga, zoals Kerkhof aanneemt. Maar als Galleorum niet op blinn auga slaat, vervalt de reden om de ontlening in Gallië te plaatsen. Een enkele maal gebruikt de samensteller ook “dat is xxx in onze taal”, d.w.z. het Iers of Gaeilge. De betekenis van ons lemma wordt dus:

blinn auga in het Schots, dat is dallsuilech in de Ierse taal

Deze conclusie maakt het al onwaarschijnlijk dat we met een Oudnederlandse ontlening te doen hebben. Maar deze interpretatie maakt dit lemma niet minder interessant. Want bij het noordelijke karakter van de ontlening vallen nog een aantal andere dingen op hun plaats. In de eerste plaats is de vorm van ‘oog’ in het Oud-Nederlands *ōg-, niet *aug-.[1] Sterker nog: alle West-Germaanse variteiten hebben *oug- of ōg-, niet *aug-. De Duitse diftongering tot Auge is van later tijd. Aug– komt alleen voor in het Oost-Germaans (Gotisch) en in het Noord-Germaans, bijv. Oud-Noors auga, wat ook de Middel-Noorse en de Nynorske vorm is. Omdat Gotisch geen mogelijke kandidaat voor ontlening is, blijft alleen (Oud)noors over. Dat laatste klopt mooi met de Schotse nulhypothese. De invloed van de Noormannen was natuurlijk niet alleen aanwezig in het noorden van de Britse eilanden, maar evenzeer in Gallië, maar dat was in de vorm van het Normandisch, wat een vorm van het Frans was. Het lijkt dus waarschijnlijk dat de ontleende vorm blinn auga in het oudere Gaelic ontleend is aan een (Oud)noorse varieteit. Voor de afwijkende vorm blinn in plaats van het te verwachten blind lijkt Keltische invloed inderdaad een goede verklaring; hierin kunnen we Kerkhof gewoon volgen. In feite komt de alternantie /nn/ versus /nd/ op verscheidene plaatsen in deze lijst voor, bijv nr. 35 Alainn/Alaind, en nr. 99 Aimenn/Aimend, waarbij de /nn/ vorm de prevocalische is, de /nd/ vorm de preconsonantische. Het ontleende woord blind/blinn lijkt zich dus naar de Keltische fonologie te richten.

Laten we nog even speculeren waarom juist dit woord ‘blindoog’ aan het Noordelijke Germaans ontleend is. Het lijkt weinig waarschijnlijk dat blindheid iets specifiek Noors was. Het woord ‘blind’ of ‘blindheid’ is dan ook niet ontleend maar ‘blindoog’, d.w.z. de blinde, ὁ μὴ ὁρῶν, de homeros, “de niet ziende”, de blinde dichter/zanger. Hoewel de topos van de blinde ziener wereldwijd voorkomt, tot Japan aan toe, is hij met name bekend uit het beeld van de Noorse skald. Dat Noorse skald-beeld is van invloed geweest op het Caedmon verhaal zoals beschreven door Beda Venerabilis of van de blinde skald Bernlef zoals beschreven door Altfrid. Wil deze blindoog passen in de lijst van hoog-registerwoorden, dan zal deze wel als een soort ‘kenning’ naar een dergelijke blinde Noorse zanger moeten verwijzen.

Tenslotte de datering.  Kerkhof neemt zonder duidelijke argumentatie de 7de eeuw aan. De bezorgers van deze tekst, Stokers & Meyer, denken eerder aan de 13de eeuw, met als vroegst mogelijke datering de 12de eeuw. De reden is dat veel vormen in de Ierse meta-taal “onmiskenbaar Middel-Iers zijn” (p. 233). Een enkel lemma kan natuurlijk ouder zijn, maar dat moet dan per geval bewezen worden; de tekst als geheel is niet zo oud. Er is nog een argument voor een late datering. Het Schots en het Iers zijn beide afsplitsingen van het Middel-Iers, niet van het Oud-Iers. Voor een vroegere periode lijkt zo’n Schots-Iers glossarium overbodig.

We mogen dus concluderen dat blinn auga in deze Ierse tekst uit het Middel-Noors is ontleend en niet uit het Oud-Nederlands zoals Kerkhof betoogt. Sterker, de ontlening heeft niet eens de ouderdom van het Oud-Nederlands, d.w.z. van vóór 1000.

[1] aug– ‘oog’  komt slechts één keer voor in ONed  (ONW). aug– (1x), oug– (7x), og– (5x).